Begraven oorlogsslachtoffers Bandjermasin


 Zie ook de guerrillaoorlog van het Indische leger op Celebes in 1942


Inleiding

Na de bezetting door Japan

Azië voor de Aziaten

Vergelijking met het Nederlandse verzet

Het Indisch verzet

Deelnemers en activiteiten

De strijd op Borneo

1. Samarinda

2. Boelongan

3. Pontianak

4. Guerilla-groep Zindel. 

Strijd op Ambon en Malakka

Strijd op Java

De oorlog te Atjeh

Verzet elders op Sumatra: de groep Van Zanten

Verzet op de Molukken

Verzet op Nederlands Nieuw-Guinea

1. Wisselmeren

2. Manokwari

Georganiseerd verzet

Verzet op Java

Verzetsgroepen te West-Java

1. Verzetsgroep te Bantam

2. Verzetsgroep te Batavia

3. Verzetsgroep te Buitenzorg en Depok

4. Verzetsgroep te Soekaboemi

5. Verzetsgroep te Bandoeng

Verzetsgroepen op Midden-Java

1. Verzetsgroep Gombong

2. Verzetsgroep Semarang en Ambawara

Verzet op Oost-Java

1. Verzetsgroep Malang en Semeroe-complex

Diverse andere verzetsgroepen

Gebeurtenissen te Soerabaja

Verzetsgroepen op Sumatra

Sumatraanse taferelen

Executies op Sumatra

Werkzaamheden der Kempeitai

Verzetsgroepen op Sumatra

1. Groep Ten Velde, Woudenberg en De Bruyn

2. Doodvonnissen

3. Groep Van Dijk

4. De Groep Marges

5. De Groep Treffers

Verzetsgroepen op Borneo

Zuid-Borneo

West-Borneo

Oost-Borneo

Verzetsgroepen op Soembawa

Verzetsgroepen op Celebes

Verzetsgroepen Molukken

1, Verzetsgroepen op Ambon

2. Verzetsgroepen te Halmahera

3. Kei-eilanden

Verzet in jappenkampen

Cijfers

Zie ook

Bronvermelding


Inleiding

Op 8 maart 1942 moest de Nederlands-Indische regering capituleren voor de Japanse veroveraar. Het was geen wonder dat zij daartoe genoodzaakt was, want al ruim tien jaar hadden de verantwoordelijke autHet verhoororiteiten steeds tevergeefs aangedrongen op versterking van leger, vloot en luchtmacht met modern materieel. Telkens weer werd iedere versterking vanuit Nederland afgestemd. Na de bezetting van Nederland werden wel vliegtuigen en tanks besteld en betaald, maar de levering kwam niet meer op tijd.

Toen na de ondergang van de vloot onder Karel Doorman de Japanners op Java landden met 11 divisies en honderden vliegtuigen en tanks, kon het Indische leger daar maar 3 divisies met 20 lichte tanks (waarvan 12 versleten) en geen enkel bruikbaar vliegtuig tegenover stellen. De weerstand duurde dan ook slechts kort. Na de capitulatie op 8 maart 1942 van het Indische leger onttrokken zich aan of ontvluchtten enige honderden KNIL-militairen de Japanse krijgsgevangenschap.

Na de bezetting door Japan

In april 1942 werd daarnaast het merendeel van de inheemse KNIL-militairen door de Japanners vrijgelaten met de kennelijke bedoeling henMoord door de kempeitai in te lijven in hun hulpkorpsen (HEIKO's). Bij de regering in Londen en de Nederlands-Indische overheid in Australië was aanvankelijk niet bekend dat een aantal militairen zich na de capitulatie aan Japans krijgsgevangenschap had weten te onttrekken.

Ook wisten zij niet dat zij in samenwerking met gelijk gezinde burgers de strijd ondergronds hadden voortgezet. Dat deden zij door waar mogelijk de Japanners afbreuk te doen en inlichtingen te verzamelen voor de geallieerden. Men was er indertijd van overtuigd dat de bondgenoten spoedig zouden komen om de bezetter te verjagen. De inspanningen van de geallieerden waren er echter in eerste instantie gericht op de As-mogendheden in Europa en een snelle bevrijding van de Nederlands-Indische archipel behoorde niet tot de mogelijkheden.

Azië voor de Aziaten

De ondergrondse organisatie van de strijd in Nederlands-Indië had nauwelijks tot geen tijd gehad tot het maken van plannen en de organisatie diende na de capitulatie nog te worden opgebouwd. Anders dan in Europa konden de verzetsstrijders, op een enkele uitzondering LeonardGSiffleetna, op geen enkele steun van de geallieerden rekenen. Voor wapens, voedsel, kleding, medicamenten, vervoer en verbindingen waren zij op zichzelf aangewezen. Van de bevolking, die geïntimideerd was door de Japanners, viel geen enkele hulp of bijstand in welke vorm dan ook te verwachten.

Vrijwel het gehele Europese deel van de Indische samenleving was door de Japanners in kampen of in afgegrendelde stadswijken achter prikkeldraad opgesloten. Alleen de activiteiten van hen, die door gelaatskleur of lichaamsbouw niet opvielen hadden een kleine kans door de Japanners onopgemerkt te blijven. De Japanse I a Ward in the Chungkai Hospital Art IWMARTLD6652propaganda predikte de dood aan alle westerlingen en spiegelde de inheemse bevolking voor dat zij hen waren komen bevrijden van de blanke overheersing onder het motto: Azië voor de Aziaten.

Deze zogenaamde A.A.A.-campagne stelde daarnaast op het geringste inheemse vergrijp een onmenselijk zware straf, omdat deze dan gericht was tegen de TENNO (goddelijke majesteit) en vóór de gehate blanken zou zijn. Toen de NIROM-omroeper op radio-Bandoeng, op 8 maart 1942, afsloot met de woorden "Tot in betere tijden" werd hij als straf daarvoor om het leven gebracht. De meeste Indonesische nationalisten beijverden zich om hand en spandiensten aan de Japanners te verlenen.

Door bovengenoemde punten was het voor de Japanners slechts een kwestie van tijd om de netten rond de verzetsgroepen steeds nauwer aan te halen tot ze konden worden opgerold. Vrijwel alle groepen werden uiteindelijk gevangen genomen en na ellendige verhoren terechtgesteld, dat wil zeggen onthoofd, gefusilleerd of doodgemarteld.

Vergelijking met het Nederlandse verzet

Het motief van zowel het verzet in Nederlands-Indië als in Nederland was het herkrijgen van de vrijheid en de waarden die men gekend had en aldus de strijd voort te zetten in guerrillavorm. Het Indische verzet verschilde wat dat betreft nauwelijks van het Nederlandse maar voor het overige ging iedere vergelijking tussen het Indische- en het NederlanBewakers van een kempdse verzet mank.

Het Indische verzet dient met andere maatstaven beoordeeld te worden omdat er grote verschillen waren. De Indische samenleving en in het bijzonder het Europese en familieverband, met name van de Totoks, werd tijdens de Japanse bezetting geheel uiteen gescheurd doordat alle mannen direct geïnterneerd werden en de vrouwen en kinderen vanaf augustus 1942 separaat in kampen werden opgesloten.

De inheemse bevolking (ook het gedeelte dat niet pro-Nederlands of anti-Japans was) werd vanaf het begin geconfronteerd met Japanse repressie en terreur en spoedig daarop doelwit van een anti-blanke, anti-geallieerde propaganda en politieke agitatie. Ook het gedeelte van de inheemse bevolking dat samenwerkte met de Japanners (de politie en bijvoorbeeld de Romoesja's) werden zeer slecht door hen behandeld. Door dit alles ontstond eind 1942, begin 1943 de situatie dat geen vreemdeling zich meer kon ophouden in de Indonesische samenleveving zonder opgemerkt te worden.

Het Indisch verzet

De aanvankelijke steun van de bevolking aan het verzet, voor zover aanwezig, hield op en de ene na de andere verzetsgroep werd opgerold; slechts enkele groepen wisten het op Oost-Java onder steeds slechtere omstandigheden vol te houden. Uiteindelijk zijn naar schatting 15.000 Gouverneur generaal A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer 2e van rechts en legercommandant luitenant generaal H. ter Poortenmensen, die verdacht werden van ondergrondse activiteiten, in gevangenschap door marteling, gebrek, ziekte, fusilering of onthoofding om het leven gekomen; op het ereveld Antjol, aan de baai van Djakarta, liggen de graven van 1.328 deelnemers aan het verzet.

Het aantal verzetsstrijders was ongeveer tien keer zo groot als in Nederland, dus het verzet in Nederlands-Indië was vrij algemeen; vooral in 1942 had het verzet grote resultaten, doordat het de Japanse strijdkrachten vasthield op een tijdstip, waarop de geallieerden al hun krachten en hulpbronnen moesten inzetten om de strijd in Europa en Noord-Afrika in hun voordeel te doen keren.

Ir. A.G. Koops Dekker zei over het verzet in Nederlands-Indië: "in Nederland werd het verzet geëerd en na de oorlog begon de bevolking met de wederopbouw van het land. En nu, tien jaar na de bevrijding, verklaren onze ministers dat hier een ongekende welstand heerst. In Indonesië zijn de mensen die getoond hebben alles, ook hun leven, voor hun land over te hebben, uitgeschakeld. De besten zijn tot vreemdeling verklaard."

Het verzet kostte aan 15.000 deelnemers het leven, waarvan 5.000 geëxecuteerd werden (waarbij dus niet gerekend zijn de slachtoffers van Japanse krijgsgevangenschap en de concentratiekampen).

Deelnemers en activiteiten

Met name Nederlanders en Indische Nederlanders namen het meest aan het verzet deel, veelal in samenwerking met Ambonezen, Menadonezen en Timorezen. In de maanden september 1943 tot en met februari 1944 werden dRT Overakkeroor de Kempeitai in totaal 1.468 arrestaties verricht; dat betrof 172 Nederlanders (grotendeels Nippin-medewerkers), 665 Indische Nederlanders, 218 Ambonezen, 96 Menadonezen, 62 Timorezen, 136 Chinezen, 79 Indonesiërs en 40 anderen.

In het eerste jaar lag het accent op activiteiten die te vergelijken waren met die van de Ordedienst (OD) in Nederland: zij waren gericht op het herstel van het Nederlands gezag. Dat gold op Java voor de groepen in Batavia, Buitenzorg, Bandoeng en Soerabaja. Verder ook op Oost-Java voor de groep Trouerbach, voor de groep Steyn van HeDysenteriiekampnsbroek, voor de groep Koops Dekker en voor de vermoedelijk door Saaka geleide groep inheemse ex-KNIL-militairen, en verder op Sumatra voor de groepen van generaal R. Th. Overakker, van Treffers in het gebied van Medan en voor de groep Van Dijk in het gebied van Padang.

De verzetsgroepen hoopten erop dat de geallieerden snel de zaken weer zouden kunnen overnemen en om dat te begunstigen verzamelden zij wapens en militaire inlichtingen. De activiteiten waren succesvol, zowel op Java als op Sumatra, met betrekking tot het verzamelen van inlichtingen over het Japanse bestuurs- en militaire apparaat. Na de oorlog was het lastig om de aantallen mensen die in het verzet hadden gezeten weer te geven.

Om deze aantallen toch bij benadering aan te geven werd vaak uitgegaan van de volgende bekSingapore the cookhouse Changi Gaol British Pows prepare their main meal of rice Art IWMARTLD5825ende gegevens: de Japanse Militaire Rechtbank in Batavia veroordeelde vierhonderdnegenendertig personen (voor een groot deel Nederlanders en Indische Nederlanders), ter dood. In de periode maart 1942 tot en met augustus 1943 werden meer dan negenenveertighonderd personen door de Kempeitai gearresteerd en in de periode van september 1943 tot en met februari 1944 achthonderdzesendertig Nederlanders en Indische Nederlanders.

Over de verrichtte arrestaties in de periode van 1 maart 1944 tot het einde van de oorlog waren later geen Japanse stukken meer beschikbaar en van de Buitengewesten ontbraken alle cijfers. De Kempeitai maakte verder geen onderscheid tussen reëel en fictief illegaal werk dus de cijfers zouden wat dat betref een vertekend beeld kunnen geven. Dr. L. de Jong geeft een uiteindelijk schatting van enkele duizenden Nederlanders en Indische Nederlanders die in de illegaliteit werkzaam waren of deelnamen aan het reële illegale werk.

Op Celebes weigerden de luitenants J.A. de Jong en W.H.J.E. van Daalen te capituleren en vochten door tot zij uiteindelijk door de Japanners opgepakt en omgebracht werden.

De strijd op Borneo

Samarinda

Samarinda werd door de Japanners van Balikpapan uit bezet. Het kleine KNIL-detachement trok toen via de rivier het binnenland in. Zij wisten enkele Ja1024px Along the March of Deathpanse aanvallen af te slaan maar toen de Japanners geblindeerde landingsboten gingen gebruiken die kleine kanonnen aan boord hadden, moesten zij met hun slechts met mitrailleurs bewapende vaartuigen stroomopwaarts uitwijken. Op 9 maart bereikten zij het vliegveld Samarinda II, dat toen door ongeveer vijfhonderd KNIL-militairen werd verdedigd.

De vliegveldcommandant en de uit Samarinda afkomstige detachemJapanse dodenmarsentscommandant besloten, nadat het algemene capitulatiebericht van het KNIL werd vernomen, om zich aan de Japanners over te geven. Omstreeks vijftien KNIL-militairen wilden de strijd echter voortzetten en gingen verder stroomopwaarts de Mahakam op. Begin juni wisten de Japanners hen te vinden: op twee na werden de vijftien door de Japanners doodgeschoten — die twee konden zich met hulp van Dajaks schuilhouden totdat zij in april 1943 door de Dajaks aan de Japanners werden uitgeleverd.

In hetzelfde gebied werd de bestuursambtenaar van Longiram die, een zijrivier van de Mahakam volgend, met enkele KNIL-militairen het binnenland ingetrokken was, midden 1942 gedwongen bescherming bij de Dajaks te zoeken die hem en de KNIL-militairen aan de Japanners uitleverden. Allen werden afgemaakt.

Boelongan

In Boelongan landden de Japanners op 17 of 18 februari 1942. Enkele militairen van het Indische leger sneuvelden maar de overigen bereikten na een zware tocht, die weken duurde, via de rivier de post Longnawang bij de grens van Brits-Borneo. Hier bevonden zich enkele uit dat gebied afkomstige Britse en Amerikaanse vluchtelingen. Op die post bleven vermoedelijk ongeveer negentig blanken (militairen en burgers) en vijfendertig inheemse KNIL-militairen bijeen. In augustus 1942 werd de post door de Japanners overvallen: eerst werden alle blanke mannen en één Ambonese militair van het leven beroofd, een maand later alle vrouwen en kinderen.

Pontianak

Nadat luitenant-kolonel D.P.F. Mars te Pontianak gecapituleerd had voor de Japanners trok eerste luitenant Johan Davijt met drie Europese onderJohan Davijtofficieren en de vrouwen van twee van die onderofficieren (een Ambonese en een Dajakse) dieper het binnenland in om, zo zei Davijt, "De Nederlandse driekleur in het hartje van Borneo te hijsen".

Gedurende de periode van maart tot begin juni wapperde die vlag in Poetoessibau in het dal van de Kapoeas-rivier. Toen de Japanners die plaats naderden probeerden Davijt en zijn manschappen de bovenloop van de Mahakam te bereiken. Een Japanse vaarpatrouille die naar de groep Davijt op zoek was zond een Indonesisch gezant met een bevel tot overgave; Davijt antwoordde: "Ik geef mij niet over, laat mij sterven onder de Nederlandse vlag." Enige tijd later werden Davijt en de drie mannen die bij hem waren gebleven door Dajaks vermoord.

Guerilla-groep Zindel. 

Toen de capitulatie door de troepencommandant bevolen was weigerde een groepje van 5 KNIL-militairen onder leiding van sergeant-majoor-instructeur J.J. Zindel, dat zich nabij Koetjing had verscholen, hieraan gehoor te geven. Zij besloten zich aan te sluiten bij de guerrillastrijders van luitenant Davijt, die zich toen nog in Poetoessibau ophield.

De guerrillagroep van Zindel bestond onder meer uit de sergeanten A. Prozig, A. van Velzen en R. Palit. Onderweg naar de basis van Davijt vielen zij nabij Kedang Oeloe in een Japanse hinderlaag. Ondanks de overmacht wisten Zindel en zijn manschappen geruime tijd stand te houden. Uiteindelijk zouden zij allen sneuvelen.

Strijd op Ambon en Malakka

Op Ambon trok een compagnie van het KNIL, onder bevel van een kapitein, zich tot de guerrillastrijd in de bergen terug na de Japanse landing op de zAmerikanen dragen de dodenuidkust eind januari 1942. Deze compagnie capituleerde op 7 februari. Omstreeks zestig Knil-militairen, waarvan dertig hadden geweigerd werkzaamheden te verrichten tot herstel van het vliegveld, werden vermoord.

Nadat de Japanners te Malakka waren geland ageerden uit Atjeh afkomstige marechaussees in enkele gebieden achter de Japanse linies en boekten, mede met steun van Chinezen, die daar woonachtig waren, enige successen. Die brigades zorgden voor grote Japanse verliezen en waren nog actief toen Singapore viel. Nadien trokken zij met veel moeite naar de westkust van Malakka vanwaar zij naar Sumatra overstaken, dat toen al voor een groot deel in Japanse handen was. De commandant en enkelen van zijn manschappen slaagden er in Atjeh te bereiken voordat de Japanners daar arriveerden.

Strijd op Java

Bij Lembang wist kolonel W.J. de Veer met slechts weinig eenheden, voornamelijk de dienstplichtigen die voor reserve-officier in opleiding waren, en een groep British Women and Children Interned in a Japanese Prison Camp Syme Road Singapore Art IWMARTLD5620Ambonezen, om vijf uur ’s middags middels een hevige tegenaanval, waarbij felle gevechten werden geleverd, waarbij zowel De Veer als majoor Teerink sneuvelden, met succes Japanners tegen te houden.

Ten tijde van de capitulaties bevonden zich op Java enkele tienduizenden manschappen: militairen van het KNIL en verder Britten, Australiërs en Amerikanen. De meesten waren in grotere eenheden bijeen, sommigen evenwel waren her en der verspreid in kleine groepen.

Er zijn er onder die militairen geweest die getracht hebben zich aan krijgsgevangenschap te onttrekken; bij elkaar deden dat vele honderden. Van wat zij op Midden- en Oost-Java hebben ondernomen is niets bekend behalve dat dat er aanwijzingen zijn dat zij allen in de loop van 1942 of in 1943 in Japanse handen zijn gevallen.

De oorlog te Atjeh

Eind maart besloot kapitein Kloprogge, die toen iets voorbij Bakoengan was en nog honderdveertig militairen bij zich, had te capituleren. Enkele officieren en minderen wilden de strijd voortzetten en trokken daartoe naar het noorden, naar het gebied van de bovenloop van dGosenson met aapjee Alas. Onderweg verenigden zij zich met een tweede groep KNIL-militairen, die uit het gebied van Medan afkomstig was. De twee groepen, die enkele verliezen hadden geleden, vernamen van inheemsen dat generaal R.Th. Overakker had gecapituleerd. Achttien man wilden doorvechten en bereikten begin april een kampong op 80 km van Medan. Zij werden daar door de Japanners ontdekt, ontsnapten, en trokken vervolgens naar het zuidoosten.

Aldaar gaven zij zich de 26ste april over. Kolonel G.F.V. Gosenson verliet met zijn staf op 15 maart Takingeun en kwam na een zware mars van acht dagen te Blangkedjeren aan. Hij trof daar ongeveer vijfhonderd KNIL-militairen, voor een groot deel afkomstig van Sumatra's Westkust. Een deel van deze troepen wist de uit Takingeun naderende Japanners in een gevecht grote verliezen toe te brengen. Gosenson zag voortzetting van de strijd verder als zinloos.

Een aantal andere detachementen traden met dapperheid tegen de Japanners bij het Tobameer op en wisten hen enige verliezen toe te brengen. Ook sloegen zij verschillende hardnekkige pogingen van de Japanners om tot het Alasdal door te dringen af en werden de Japanners verliezen toegebracht toen zij in het dal verschenen. Op de 28ste maart capituleerden Overakker en Gosenson.

Verzet elders op Sumatra: de groep Van Zanten

Nadien waren er nog twee groepen bezig met de guerrillastrijd, namelijk die van kapitein Dormolen en die van eerste luitenant H. van Zanten. Dormolen besloot naar Zuid-Sumatra uit te wijken; hij had nog slechts vijf man bij zich toen hij zich, voortdurend door Japanse patrouillHenri van Santenes opgejaagd, op 24 april in Pematang Siantar aan de Japanners overgaf. Van Zanten, die de organisatie "Bloed en Trouw" oprichtte, wist veel langer in vrijheid te blijven.

Hij trok samen met één Europese sergeant Andringa en één Ambonese sergeant Kalatu en ruim zeventig inheemsen (Timorezen, Ambonezen en een aantal inheemse dragers) naar een bosbivak, enkele tientallen kilometers ten noorden van Takingeun. Om ontdekking te bemoeilijken en de fourage te vereenvoudigen verdeelde Van Zanten de mensen van zijn organisatie over verschillende plantages; een van die cultuurondernemingen was Redelong. Van Zanten en zijn staf hadden hun bosbivak op de hellingen van de berg Kanis, niet ver van Redelong. Het bivak werd ook wel  "Kanis" genoemd.

Eind 1942 kwamen de Japanners de groep van Van Zanten op het spoor. Zij arresteerden en mishandelden eind november veertien oud-KNIL militairen voor de kazerne te Takengon. De soldaten werden aan palen vastgebonden en vreDoden bij dodenmarsselijk gemarteld om de schuilplaats van Van Zanten te weten te komen. Daarnaast werden zelfs bekende olifantenjagers op het spoor van Van Zanten en de zijnen gezet. Eind december 1942 werd sergeant Kalatu, die als boodschapper dienst deed, gevangen genomen. Ondanks ernstige folteringen bleef hij zwijgen.

In januari 1943 werd sergeant Andringa, die niet meer verder kon trekken vanwege een slopende dysenterieaanval, gearresteerd. Op 10 maart 1943 viel Van Zanten zelf met vijf inheemse marechaussees in een hinderlaag. Hun lot was onmenselijk. Op 19 augustus werden de beide onderofficieren ter dood gebracht en op 25 augustus 1944 was het de beurt aan Van Zanten. Na een grote razzia werden ook andere groepen opgerold en vonden adjudant-onderofficier A.W. Ledoux, sergeant Berghahn en opzichter der genie Van Haelen de dood. De laatste groep viel in mei 1944 in Japanse handen.

Verzet op de Molukken

Ternate en Halmahera, beide in de noordelijke Molukken, werden op 12 april door de Japanners bezet. Op het uitgestrekte Halmaheira konden een paar man van het KNIL, van wie één van Ternate was overgestoken, zich in de binnenlanden terugtrekken; de laatste van hen werd in december gepakt.

Verzet op Nederlands Nieuw-Guinea

Wisselmeren

De controleur in het gebied van de Wisselmeren, dr. J. V. de Bruyn, bleef met een groep medewerkers, onder wie een sergeant-radiotelegrafist, een korporaal, zes Indonesiërs en twintig Papoea's op zijn post. Hij zette zijn bestuurswerk voort en zond patrouilles uit om militaire gegColonne krijgsgevangen in de jungleevens te verzamelen, niet alleen met betrekking tot Nederlands-Nieuw-Guinea maar ook andere eilanden in de Grote Oost.

Hij verstuurde daarnaast regelmatig weerberichten naar Australië, die voor de geallieerde luchtmacht van grote betekenis waren. In de tweede helft van mei 1943 werd het gebied van de Wisselmeren door de Japanners bezet. De Bruyn en de zijnen trokken zich toen dieper in de bergen van Nieuw-Guinea terug. In februari 1944 werd van Australië uit de troepenmacht aangevuld met een door de NEFIS uitgezonden luitenant, een sergeant-telegrafist, en twee lagere Indonesische militairen; dit groepje werd geparachuteerd.

De groep De Bruyn en de tweede groep wisten zich, hoewel voortdurend door de Japanners opgejaagd, nog vijf maanden in de bergen van Nieuw-Guinea te handhaven — eind juli 1944 werden zij met belangrijke gegevens, niet alleen over Nieuw-Guinea maar ook over Ambon en het daarbij gelegen Ceram, van een hooggelegen bergmeer af opgehaald door een Nederlandse Catalina.

Manokwari

Toen de Japanners op 12 april te Manokwari landden waren de vrouwen en kinderen van inheemse militairen (tweehonderdvijftig personen) twee maanden daarvoor al ondergebracht in een kamp, dat zich op ongeveer 100 kilometMauritz Kokkelink voorwoord boek Wij vochten in het bos er verder zuidelijk aan de kust bevond. De commandant van het KNIL-detachement, kapitein J. B. H. Willemsz Geeroms, een Indische Nederlander, trok nog diezelfde dag het oerwoud in met een groep van tweeënzestig van de honderddertig onder hem ressorterende militairen, van wie er zich toen vier op patrouilletocht bevonden, en verder één politieman en zeventien dragers.

De vier die op patrouille waren, onder wie de reserve-sergeant-majoor P. P. de Kock (ook een Indische Nederlander), sloten zich spoedig bij de groep van Willemsz Geeroms aan. In het eerste bivak, op ongeveer 60 kilometer ten zuidwesten van Manokwari, had Willemsz Geeroms het voordeel dat hij levensmiddelen en munitie kon laten ophalen uit drie depots, die hij dieper in de bergen had laten vormen. Hij stond de eerste maanden bovegroepmetcoosjendien in regelmatige verbinding met het evacuatiekamp, waaruit zich enkele meisjes en vrouwen bij hem voegden.

Soms werden tochten ondernomen om tegen de Japanners aan de kust te ageren. Ook sergeant M.C. Kokkelink en Coosje Ayal maakten deel uit van deze groep. Midden november werd hun bivak door de Japanners overvallen. Van Willemsz Geeroms' militairen (hij had in eerdere gevechten acht verloren) sneuvelden er vier.

Hoewel hij zich van zijn depots moest verwijderen besloot hij het bivak te verlaten en zich door de bergen van de Vogelkop naar een streek dichter bij de kust te begeven en de groep ten westen van Manokwari te verzamelen. Op 18 april 1944, toen sergeant Kokkelink met een aantal anderen op patrouille was, werd het bivak aan de rivier overvallen. Vier personen ontkwamen, alle overigen sneuvelden of werden doodgeschoten, behalve Willemsz Geeroms die, nadat men hem eerst gemarteld had om hem zo ver te krijgen een brief te schrijven waarin Kokkelink en de zijnen aangespoord werden zich over te geven, onthoofd werd.

Georganiseerd verzet

 Het meest uitgebreide, het meest georganiseerde, verzet werd op Java gepleegd, waarbij vooral de militaire (KNIL) inbreng zeer groot was. Na de capitulatie, op 8 maart 1942, onttrokken zich aan of ontvluchtten een paar honderd KNIL-militairen uit Japanse krijgsge363px R G de Lange kapiteinvangenschap. Uit en rond deze groepen ontstonden op verschillende plaatsen verzetsgroeperingen, vaak onder de naam van nacht- en ondernemingswachten, zogenaamd gericht tegen plundering en moord.

Door middel van wapendiefstal wisten deze groepen zich te bewapenen en begonnen zij hulp te verlenen aan voortvluchtige geallieerde troepen. Verder deden de leden aan sabotage, verzamelden en verwerkten en distribueerden zij gegevens en verstrekten geld, voedsel en medicijnen.

Ook de kampbewoners in jappenkampen werden door hen van informatie voorzien. Kapitein GS-KNIL R.G. de Lange, die tewerk gesteld was bij de Staatsspoorwegen als coördinator militair transport, organiseerde eerst het verzet in Preanger en deed later ook de coördinatie van het verzet elders op Java. Reserve eerste luitenant Ir. A.G. Koops Dekker wist het verzet met één van zijn groepen tot medio 1944 voort te zetten.

Verzet op Java

Op ongeveer 20 plaatsen op Java werd verzet gepleegd; dat waren 7 locaties op West-Java en 8 locaties op Oost-Java; in een aantal van deze steden en plaatsen, bijvoorbeeld te Batavia, Buitenzorg, Bandoeng, Malang en Soerabaja, bestond het plaatselijke verzet uit meerdere subgroepen. Op West-Java waren onder meer actief: kapitein R.G. de Lange, reserKoops Dekker2ve eerste luitenant mr. L.J. Welter, kapitein L.A. Vellenga, eerste luitenant E.V.F. Toers Bijns en onderluitenant D.J. Kaiwatu. Op Midden-Java waren onderluitenant Siahaya, soldaat De Leeuw en sergeant Tariboeka actief.

Op Oost-Java waren dat onder meer sergeant Reebok, sergeant Siwabessy, sergeant Panggamanan, reserve eerste luitenant A.G. Koops Dekker, luitenant-kolonel Stein van Hensbroek en kapitein W.A. Meelhuyzen; zij werkten samen Weltermet zeer vele ongenoemde Ambonese, Menadonese, Timorese, Javaanse en Soendanese en voormalige KNIL-militairen. Voorbeelden van enige verzetsactiviteiten waren het ontvreemden door H. de Lange en J. Kraan van de wapens uit het stadhuis van Bandoeng en dezelfde soort handeling door de groep van onderluitenant Siahaya te Gombong.

Verder verleenden zij steun aan de 70 man sterke Australisch-Engelse groep, onder commando van luitenant-kolonel Van de Post, die zich in het gebied rond Bantam schuil hield en verzorgden zij middels koeriers de nieuwsvoorziening aan de kampen. De Nederlands-Indische Radio Omroep (Nirom) was aan het begin van de bezetting actief met uitzenden; drie medewerkers werden gearresteerd en ter dood veroordeeld omdat zij -na de capitulatie - de uitzendingen nog enige tijd hadden besloten met het Nederlandse volkslied, het Wilhelmus;

Zo wilden zij een bijdrage leveren aan het hooghouden van het moreel. De medewerkers waren: J.P.J.W. Kusters, N. van der Hoogte en V. Kudding en dit werd later de Wilhelmus-affaire genoemd.

Verzetsgroepen te West-Java

Verzetsgroep te Bantam

De Verzetsgroep te Bantam was gelocaliseerd in de omgeving van de Tjikottok-goudmijnen, op de top van de Djajasempoer. Dit was een Australisch-Engelse groep van ongeveer 70 man onder commando van luitenant-kolonel LKapitein meelhuyzen. van der Post (een Zuid-Afrikaanse officier in Britse dienst), die in het het bezit was van een radiozender. P. Vogt, een Zwitsers geoloog, en D.W.N. Kriek (administrateur) verleenden hier hun diensten;

De groep hield tot augustus 1942 stand. Kriek was oorspronkelijk administrateur van de goudmijn Tjikotok in zuid-west Bantam; toen de oorlog uitbrak werd hij tevens commandant van de landwacht aldaar. Gesteund door zijn medewerkers, dokter L. van Noorden, geoloog Vogt en Ir. G.J. Goekoop bracht hij een Brits-Australische guerrillagroep naar veiliger oorden, namelijk naar Lembak-Sembawa.

De eenheid stond bekend als nummer 43 Special Mission. Kriek en zijn medewerkers voorzagen de guerrilla's van voedsel, medicatie, wapens, munitie en handgranaten. Daarnaast regelden zij dat rondzwervende militairen zich bij de guerrilla's konden aansluiten. Van der Post gaf zich in april 1942 ongewapend aan de Japanners over en zijn leven werd uiteindelijk gespaard. De guerrillagroep viel vijf maanden later in Japanse handen en alle 70 leden werden waarschijnlijk vermoord.

Verzetsgroep te Batavia

De Verzetsgroep te Batavia stond onder leiding van reserve-kapitein A.L.J. Wernink (Van Dam geheten bij interne berichtenuitwisselingen) 1280px Assalto di fanteria giapponeseen kende als verdere medewerkers eerste luitenant E.V.F. Tours Bijns, Westplat, Blussé van Oud Alblas, dominee Tjoe Tek Soat, ir. J.J. Kramer, ir. J.J. Slis en Maria Roumse.

Op 21 juni 1943 werden de veroordeelden van de zogenaamde Kramer-zaak te Batavia geëxecuteerd en op 9 juli 1943 vonden arrestaties plaats in het kader van de "Algemene Landbouw Syndicaat-affaire". Deze kwestie kon worden beschouwd als een gevolg van de Kramer-zaak. Op 12 december 1943 onthoofdden de Japanners 13 leden van de groep Wernink.

Verder ageerden in het geheim: Ambonese groepen: Saija, Tanasale, Siahaija, Titarsoley, Hatusuput, E.J. Kaihatu en Melawan. Europese groep: Stevens-Carelsz. Chinese groep: dominee Tjoa Tek Soat. Gemengde groep (Tandjong Priok): F. Tessers en D. Tessers, met een tijdelijke radiozender.

Verzetsgroep te Buitenzorg en Depok

De Verzetsgroep te Buitenzorg en Depok stond onder leiding van reserve eerste luitenant mr. L.J. Welter (zoon van de Minister van die naam); hij bereidde plannen voor als secretaris van Buitenzorg. Medewerkers waren onder meer Bakhuis, Dr. Olof Munck en Koster. Aldaar Tahaya Jwaren verder de volgende groepen actief: Gemengde groep: Welter en Bakhuis; Gemengde groep: Stam met voornamelijk Ambonezen; Guerrillagroep (codenaam vulkaan Salak): Australiërs; Nederlandse commandando: kapitein L.A. Vellenga (pseudoniem: Smit), Wernink, Grayson, Powel, Hanny Hilgers.

Vellenga dook later als burger onder in het kamp Kedoeng Badak en deed aldaar met vele anderen ondergronds werk, zowel in als buiten het kamp. Vanwege genoemde activiteiten werden Bakhuys, Dr. I. Ch. Koster, H. Drielsma, Dr. Olaf Munck, Vellenga, A.S. Docen. J.C. Molema, J.C. Stam, Vlam en Van Welsem gearresteerd; Vellenga was één van degenen die de schuld op zich nam.

Verzetsgroep te Soekaboemi

De Verzetsgroep te Soekaboemi was een gemengde groep onder leiding van Grandpré Molière en Briët. Zie ook: Hermanus Jongbloed Hendrik Johan de Haas

Verzetsgroep te Bandoeng

De Verzetsgroep te Bandoeng stond onder leiding van kapitein van de generale staf van het Indische leger R.G. de Lange; zijn adjudant was Stibbe. De Lange werd algemeen beschouwd als de leider van Java. Zijn medewerkers waren onder meer Van Ardenne, Douglas (Australische journalist), Aalbertsberg, bibliothecaris, Rühl, Ravenwaay-Claasen (politiecommissaris), flight lieutenant CoateBegrafenis aan de Birmas, Nienkemper, Tissot van Patot, P. Marseille, H. de Lange, D.W. van Logchem, H.J. Greeven en J. Kraan. Guerillagroep: Van de Vorst.

Deze groep had contact met een Chinese verzetsgroep, blies een munitiedepot op en ontvreemde wapens uit het gemeentehuis; kapitein de Lange werd op 27 juli 1942 gearresteerd. Andere eenheden waren de grote groep Timorezen onder commandant Soegondo-Baki, de gemengde groep onder Jans en een Ambonese groep onder Dirk Jan Kaihatu (schuilnaam Boy, de broer van de Kaihatu van de verzetsgroep in Batavia).

Deze groep stond rechtstreeks onder kapitein de Lange en werkte nauw samen met luitenant Titalie (schuilnaam Bunga Tandjoeng). Het huis van Kaihatu aan de Natunaweg 9 te Bandoeng was tevens wapenopslagplaats. Dan  was er nog een groep met onder meer Jacob Jan Pesman als lid en een  groep met A.B.J. Kok. De verzetsgroep te Tjimahi bestond uit een Timorese groep met Van Ardenne, Noh Bola, Daleh en Moeraksoeda en er was een Ambonese groep met onderluitenant Pietersz en Mauwe.

Verzetsgroepen op Midden-Java

Verzetsgroep Gombong

De Verzetsgroep Gombong was een kleine guerrillagroep onder leiding van onderluitenant Siahaija, De Leeuw, sergeant Tariboeka en Roelaarts. Deze groep had een tijdelijke radiozender en pleegde sabotage, ontvreemdde wapens, richtte vernielingen aan in de haven van Tjilatjap en op het vliegveld Kelampak; de groep werd in februari 1943 opgerold.

De verzetsgroep Poerworedjo bestond uit een Ambonese groep onder Uniputti.

Verzetsgroep Semarang en Ambawara

De Verzetsgroep Semarang en Ambawara werd geleid door Korff en medewerker J. Ngdoen. Hij coördineerde en gaf richtlijnen aan twee groepen: een Timorese groep geleid door J. Ngdoen en  een gemengde groep geleid door de gebrGevangen nameoeders Gijors.

In verband met de "spoorwegaffaires" werden op Java op verschillende plaatsen Indische Nederlanders en ook andere landaarden in hechtenis genomen, verdacht van sabotage en munitievervoer; vanwege dat proces werden er 18 doodvonnissen uitgesproken. Dat lot onderging onder meer G.L. Wolff, stationschef bij de spoorwegen. Om hem tot bekentenissen te krijgen dwongen de Japanners zijn vrouw en vier kinderen toe te zien hoe de echtgenoot en vader werd gemarteld. Wolff bleef zwijgen en werd derhalve vermoord.

De verzetsgroep Salatiga was een guerillagroep, geleid door sergeant Frans en de verzetsgroep Magelang werd geleid door Noengai Radji en bestond uit een groep Javanen, geleid door Kemis, en een groep Timorezen.

Verzet op Oost-Java

In februari 1945 ontstonden er verschillende Peta-opstanden (Indonesische leger dat door Japan werd opgeleid) in een aantal plaatsen. Peta-officier Soepriadi leidde de opstand in Blitar; verder waren er Peta-ongeregeldheden in Bandoeng, in INdramajoe en in Tjilatjap. Dit verzet werd vrijwel overal bedwongen. Een coördinator van het verzet in Oost-Java was reserve eerste luitenant Ir. A.G. Koops Dekker. Hij ressorteerde onder kapitein R.G. de Lange te Bandoeng, de algemene coördinator van het verzet op Java. Koops Dekker steunde de volgende groepen:

Verzetsgroep Malang en Semeroe-complex

De Verzetsgroep Malang en Semeroe-complex was een afdeling die, met uitzondering van de groep Koops Dekker, in juni 1943 grotendeelsB Kempeitai Changi 1 werd opgerold en die bestond uit: Een guerrillagroep onder luitenant-kolonel Steyn van Hensbroek, met medewerking van de Oostenrijkers Berler en Pleyel en met als hoofdleider kapitein Meelhuysen.

Deze groep had als medewerkers sergeant-majoor Ferdinandus, onderluitenant Groothuizen, mevrouw Altman (bijgenaamd "de Engel", vanwege haar knappe verschijning), Suwabessy en Matatula. Meelhuyzen had als subafdelingen: De groep onder sergeant Wiwi Pangamaman; deze ageerde op de vulkaan de Kawi, in de buurt van Malang;

De groep onder korporaal Runtuwene, ook actief op de hellingen van de Kawi; De groep onder R. Toorop, alias Pfaff; bekende medewerkers waren Ed Queijsen, Loeki Mulder, Boeti Martherus, Bennie Kalalo en zijn vader, Robbie Schulz en zijn vader, mevrouw Oudkerk Pool en haar twee ongetrouwde zusters; verder onderhield de groep Toorop contacten met Matulessy en met James Ruby, een omroeper van Radio Malang.

Een gemengde groep onder sergeant Reebok met onder meer Nanlohy, Wattimena en Kailola en dr. Soesman. Een gemengde groep onder reserve eerste luitenant ir. A.G. Koops Dekker met sergeant Siwabessy. Een Chinese groep onder leiding van Toko Sin.

De verzetsstrijder R.A. Mahieu verrichtte zijn werk in drie groepen; die van Pangamanan, Runtuwene en Toorop; Tuts (oudambtenaar van het binnenlandse bestuur) en Hartwig (oud-ambtenB Kempeitai Changi 2aar) zamelden geld in; een contactpunt was het sanatorium Songgoriti, waar geneesheer-directeur Van Joost en de Ambonese dokter Kapitan uitgebreide hulp verleenden.

De eigenaren van de Chinese winkels Sin en Litay zaten ook in het verzet. Kuypers, een eenling, was agent van de inlichtingendienst, die reeds voor de oorlog bekend was bij de bezetter. De groep van sergeant Reebok, met de medewerkers S.M. Nanlohy, Wattimena en Kailola, werkten in de omgeving van Malang. De guerillagroep van sergeant I.O.O. Siwabessy, met sergeant A. Patty en de soldaten Wattimena, Matitaivaer, Sahusilawane, Ririhena, Ririhatuela en Tapilatu, deden werk in en om Pasoeran.

Luitenant-kolonel Van Stein van Hensbroek trad in de bergen met zijn guerrillagroep op. Zijn medewerkers waren onder meer de Oostenrijkers Berler en Pleyel. Mevreouw Bep Stenger vervulde in deze organisatie een leidende rol. Op 23 mei werd een aantal Indische Nederlanders, verdacht van subversieve activiteiten in de omgeving van Djember, standrechtelijk doodgeschoten.

Wellicht betrof het de Kedsilirgroep van architect Lang. Op 28 juli 1944 werden bij Bodjonegoro 70 personen geëxecuteerd, waaronder 10 Indische Nederlanders; bij de onderneming Bandoredjo in Kediri werden 17 personen gearresteerd, vanwege verwaarlozing en sabotage aan de fabriek; er werden twee doodvonnissen uitgesproken.

Diverse andere verzetsgroepen

Verzetsgroep Kediri was een Australisch-Europese guerrillagroep geleid door Rups

Timorese groep

Groep met W. Wijting, mevrouw A.F. Hendriks-Jansen en anderen te Soerabaja

Kesilirgroep van architect Lang

Verzetsgroep Kawi-Ardjoeno was een Europees-Ambonese groep, geleid door sergeant Pangemanan.

Diverse grote gemengde groepen

Verzetsgroep Pasoeroean was een kleine guerrillagroep onder leiding van Siwabessy, sergeant J. Patty en de soldaten Wattimena, Matitaivaer, Sahusilawane en Tapilatu.

De Chinese verzetsgroep: de Chinese verzetsgroep werd gevormd uit de Chinese militaire missie die zich tijdens de oorlog en bij de capitulatie in Indië bevond; deze groep handelde op aanwijzingen van en rapporteerde radiotelegrafisch aan de Chunking-regering. Daarbij werd gebruik gemaakt van radiozendinstallaties te Banjoemas en Soerabaja. Deze groep werd in december 1942 opgerold.

Gebeurtenissen te Soerabaja

In Soerabaja vonden de volgende processen en gebeurtenissen plaats: op 13 april 1944 werden 70 personen van de staatsspoorwegen opgepakt en ernstig mishandeld in verband met de "spoorwegaffaire". Deze zaak ging nog verder want op 27 april van datzelfde jaaVoor hen die vielenr werden vele medewerkers van de spoorwegen in West- en Midden-Java gearresteerd en op verschrikkelijke wijze verhoord en gemarteld.

Op 17 en 18 mei 1944 waren er geallieerde aanvallen op Soerabaja. Daarna werden vele, voornamelijk Indische Nederlanders, in hechtenis genomen, omdat zij naar de vliegtuigen geseind zouden hebben. Dit was het zogenaamde "vuurpijlproces". Op 3 december 1944 werden in een djatibos nabij Bodjonegoro 51 personen gedood vanwege deze zaak. Ook te Malang werden op 17 oktober 1944 - als gevolg van een soortgelijke aangelegenheid - 60 jongens gearresteerd, waarvan er 13 terecht werden gesteld en een onbekend aantal in de gevangenis omkwam.

Bij een razzia werden 5 Europese leidinggevende functionarissen van de opium- en zoutregie opgepakt wegens opruiing en het luisteren naar verboden radiouitzendingen. Hamelinck en Van Lier vertrokken met gegevens en berichten naar Australië; onderweg werden zij gearresteerd en in Makassar op Celebes gevangen gezet. Hans Obdeyn haalde in het openbaar de Japanse vlag naar beneden. Hij werd door de Kempeitai gearresteerd en op zeer brute wijze gemarteld. Hij overleefde dit echter.

Het ondergrondse verzet op Timor werd mede georganiseerd door de gepensioneerde kapitein van het Indische leger J.R. Agerbeek.

Verzetsgroepen op Sumatra

Nadat hij had gecapituleerd benoemde generaal-majoor R.Th. Overakker schriftelijk reserve-kapitein K. ten Velde tot militair bevelhebber en bestuurder van Sumatra's Oostkust, tijdens de zogenaamde vacuüm-pAfscheidsbrief Gosensoneriode. Dat was de periode wanneer de Japanners weg zouden trekken en de Nederlanders nog niet teruggekeerd zouden zijn. Eenzelfde schriftelijke opdracht ging uit naar de reserve-kapitein Ir. C. Woudenberg voor het district Tapanoeli.

Dit was het begin van een uitgebreide ondergrondse beweging, waarbij vele honderden mensen betrokken waren; dat waren onder meer de assistent-resident O. Treffers en de commissaris van politie eerste klasse P.A.J. de Bruyn. Generaal Overakker en kolonel G.F.V. Gosenson werden in juli 1942 als krijgsgevangenen naar Formosa overgebracht. Na ontdekking van de documenten en het complot werden beiden naar Sumatra teruggevoerd.

Na verschrikkelijke verhoren werden de vonnissen geveld op 16 mei 1943, 15 november 1943, 24 oktober 1944 en op 9 januari 1945. Er waren veel doodvonnissen. Overakker en Gosenson werden op 9 januari 1945 te Fort de Kock terechtgesteld. Zij kregen de kogel.

Sumatraanse taferelen

In tegenstelling tot de inschatting van de Japanse bezetter was de omvang van de verzetsorganisaties en de sterkte ervan op Sumatra aanmerkelijk kleiner dan zij dachten. Berekend over geheel Sumatra waren er na de invasie ongeveer 600 personen actief betrokken bij diverse verzetsgroepen, het merendeel als informant en koerier. Men ging er in de eerste maJapanse soldatrn marcheren bataviaanden na de capitulatie nog steeds van uit dat een geallieerde invasie spoedig zou volgen en dat dan het Nederlandse gezag weer zou worden hersteld.

Spionage was de belangrijkste activiteit. Incidenteel werden, verspreid over het eiland, sabotages gepleegd; binnen de verzetsorganisaties was echter aan het overbrengen van berichten door koeriers over de Japanse troepenverplaatsingen, sterkte en bewapening prioriteit toegekend. Als belangrijkste doelstelling gold voor de leiders van de organisaties het behouden van een zodanige lijn en structuur, dat in het geval van een geallieerde tegenaanval vanuit die organisaties door een geselecteerde betrouwbare achterban het onstane machtsvacuüm kon worden hersteld.

Bij de grootscheepse razzia's door de Kempeitai, op 20 september 1943 op geheel Sumatra, werden een aantal verzetsorganisaties ontmanteld en alle deelnemende personen gearresteerd. Ten gevolge van eerdere razzia's waren reeds diverse verzetsgroepjes geliquideerd en was het aantal dat toen nog gerekend kon worden te behoren tot de kern van het verzet inmiddels teruggelopen tot ongeveer 200 personen. Het gevolg van de "20 september razzia" was dat nagenoeg het gehele verzet was gebroken. Een groep die opereerde aan de oostkust wist als enige tot eind juni 1944 het verzet vol te houden.

Executies op Sumatra

In het krijgsgevangenkamp in de omgeving van Kota Tjané kreeg men begin mei 1943 van de Japanse kampcommandant de aanzegging dat zij op korte termijn zouden worden ingelijfd bij het Japanse leger als Heiko (hulpsoldaat in het Japanse leger). Niet lang daarna kreeg men van een tolk, en in aanwezigheid van een officier van de Kempeitai, te horen dat men precies 5 minuten de tijd kreeg omJonge Indische fascisten te beslissen. Hierna werden de gevangenen in drie groepen ingedeeld: de medisch ongeschikten, de verplichte vrijwilligers en zij die weigerden dienst te nemen.

De groep weigeraars (60 personen) werd direct door de Kempeitai naar de plaatselijke gevangenis afgevoerd. Zij kregen vervolgens een onmenselijke behandeling en een aantal overleefde deze behandeling niet. Van die groep weigeraars werden de sergeanten H.F. Voss (Surinamer van geboorte), Stolz en Croes en ook de soldaat Wolff aan handen en voeten gebonden naar het dorpsplein gesleept en aan palen vastgebonden.

Op last van de Japanners (28 mei 1943) werd de bevolking aldaar verzameld. De Nederlanders kregen de vraag of zij nog een laatste wens hadden. Sergeant Voss wilde sterven met de Nederlandse driekleur om zijn schouders. Toen men bezig was een vlag te zoeken hield hij een korte toespraak tot de leden van de plaatselijke bevolking in hun taal, die de Japanners niet verstonden. Hij betoogde dat de Japanners geen eerlijke soldaten waren omdat zij hem tot verraad jegens de koningin wilden dwingen.

Voss wees een blinddoek af en toen men op hem begon te schieten riep hij luidkeels: "Leve Hare Majesteit de Koningin!" tot de dood intrad. Croes, Stolz en Wolff werden onthoofd. De lichamen werden in de Alas-rivier geworpen

Werkzaamheden der Kempeitai

Uit de verhoren van de na de capitulatie opgespoorde en gearresteerde leden van de Kempeitai op Sumatra en die in afwachting van de berechting door de Temporaire Krijgsraad te Medan in de gevangenis aldaar waren gedetineerdBezetter leert kinderen groeten kon een beeld verkregen worden van de wijze waarop en waar een aantal executies had plaatsgevonden: Hashimoto verklaarde : "De namen van de geëxecuteerden herinner ik mij niet".

De plaats van executies was steeds verschillend. De voorbereidingen voor de executies werden door de officieren van de Ogami-tak getroffen. Iedere veroordeelde kreeg twee schoten en viel voorover in zijn graf. Daar werden de geëxecuteerden onderzocht door de officier van gezondheid, waarop het graf werd gedicht.

Aan de hand van verklaringen konden zo een aantal individuele en massagraven worden gelocaliseerd (Arnhemia, Sibelangit, Padang, Fort van der Capellen, Pajakoembo, Tandjong Gadai en Fort de Kock) en door de legergravendienBegroeten der volksraadst te Padang worden opengelegd; in een aantal gevallen konden de stoffelijke resten geïdentificeerd worden, waarna herbegraving plaats vond.

Het aantal executies door de Japanners op Sumatra uitgevoerd wordt berekend op minstens 350 (ontleend aan gegevens uit de na-oorlogse processen van de Temporaire Krijgsraad): Kota Radja - 13 maart 1942: executie van 56 mannen; Pematang Siantar - 14 maart 1942: executie van 25 mannen en een onbekend aantal plantage-medewerkers; Takingon (Noord-Sumatra) - 27 maart 1942: executie van 18 mannen; Sibolga - 10 april 1942: executie van 26 mannen; Simaloer (eiland ten noorden van Nias aan de westkust van Sumatra - 6 juni 1942: executie van 8 mannen; Kutacane (Noord-Sumatra) - 29 mei 1943: executie van 4 krijgsgevangenen; Overige executies tussen 1943-1945: 68 leiders en leden van diverse verzetsgroepen.

Mede naar aanleiding van het bekend worden van het "Plan Overakker" (ook wel Overakker complot genoemd) vond op 20 september 1943 op geheel Sumatra een grootschalige razzia plaats, waarbij op diverse locaties 3.000 van ondergrondse activiteiten verdachte personen werden gearresteerd. Van hen werden er, al dan niet na een schijnproces, ongeveer 150 geëxecuteerd.

Verzetsgroepen op Sumatra

Groep Ten Velde, Woudenberg en De Bruyn

Deze groep stond onder leiding van de reserve-kapiteins K. ten Velde en Ir. A.C. Woudenberg (conform het plan Overakker belast met gezagsherstel en de hoogste militaire leiding) en werd uitgebreid met de commissaris van politieNederlandse onderzeeboten kust batavia te Medan, P.A.J. de Bruyn, die vooral ordemaatregelen moest treffen. De groep bestond verder uit 20 gekwalificeerde personen, vooral oud-militairen en functionarissen uit overheidssectoren en het bedrijfsleven.

De activiteiten waren in de eerste plaats gericht op een organisatie-opbouw in verband met het te verwachten gezagsherstel. Verder onderhield deze groep contacten met de leiders van andere verzetsgroepen en bouwde ze insulaire in plaats van overzeese koerierslijnen uit. Het operatiegebied omvatte de gehele oostkust van Sumatra. Als gevolg van razzia's werden eind mei 1943 enkele leiders en leden van de zogenaamde V(ictory)-Rode Zakdoek-groepen gearresteerd.

Afgedwongen bekentenissen zetten de Kempeitai op het spoor van de stafgroep Ten velde en Woudenberg; de Kempeitai was inmiddels ook bekend met details van het plan Overakker. Dit leidde - mede ook door verraad - tot de arrestatie van de leiders en een tiental KNIL-officieren, die er eveneens van werden verdacht deel te hebben uitgemaakt van de geheime kampraad van generaal Overakker en kolonel G.F.V. Gosenson, toen deze nog in het Uniekamp op Sumatra waren geïnterneerd.

Doodvonnissen

De leiders, K. ten Velde en A.C. Woudenberg werden door de Japanse rechtbank te Medan ter dood veroordeeld en op 31 januari 1945 geëxecuteerd. De executie van de eveneens ter dood veroordeelde politiecommissaris De Bruyn vond op 15 november 1943 al plaats, tegelijk met die van oud-KNIL-sergeant-majoor A.W. Ledoux, leider van één van de Victory-groepen.

De chef van De Bruyn, de hoofdcommissaris van politie te Medan, die tijdens de bezettingsjaren collaboreerde met de Japanners, trad tijdens de zitting van de Japanse Militaire Rechtbank als getuige op tegen de leden van de gearresteerde strafgroep (Ten Velde, Woudenberg en De Bruyn). Maseland werd ook voor deze feiten, het collaboreren en verraad, eind 1949 door het Hoog Militair Gerechtshof in Batavia berecht en ter dood veroordeeld. Executie van dit vonnis vond echter niet plaats in verband met de kort daarvoor gewijzigde politieke omstandigheden en souvereiniteitsoverdracht.

Groep Van Dijk

De groep Van Dijk stond onder leiding van de oud-commissaris van politie te Padang, W. van Dijk en bestond uit 25 oud-militairen onder wie de sergeanten J.A. Pattinama en P. van de Torren; de groep opereerde aan de westkust en in het bijzonder in de regio Padang. De activiteiten waren vooral gericht (juni 1942 - april 1943) op het treffen van voorbereidingen in het geval van een geallieerde invasie, het uitwerken van sabotageplannen en het organiseren van koerierslijnen en spionage.

Door verraad werden tijdens een van de grote razzia's alle leden van de groep gearresteerd en door de Japanse Militaire Rechtbank te Medan veroordeeld tot gevangenisstraffen. De leiders evenwel, W. van Dijk, J.A. Pattinama en P. van de Torren werden veroordeeld tot de doodstraf en op 22 april 1943 geëxecuteerd.

De Groep Marges

De groep Marges stond onder leiding van onderluitenants van het KNIL de broers P. en C. Marges en bestond verder uit 25 personen, merendeels ook oud-militairen; de groep opereerde in het gebied Padang, Sawaloento, Fort van de Capellen, Fort de Kock en PadanBurnedAtBaatangpandjang. De activiteiten (juli 1942 - juni 1943) bestonden uit de aanleg van kleine wapen- en munitiedepots, verspreiding van geallieerd nieuws en het activeren van de achterban.  

Dit waren uit krijgsgevangenschap ontslagen oud-collega's, die gebruikt werden voor koeriersdiensten en spionage. Door de arrestatie van de leden van de groep Van Dijk wist de Kempeitai door afgedwongen bekentenissen verband te leggen met de groep Marges. Tijdens razzia's werden alle leden gearresteerd. De leden van de groep werden tot gevangenissen veroordeeld en de leiders, de broers Marges, tot de doodstraf. Op 23 juni 1943 werden zij nabij Fort de Kock geëxecuteerd.

Groep Treffers

De groep Treffers stond onder leiding van Otto Treffers (oud-assistent resident) en bestond uit 35 leden, onder wie twee oudcollega's op het bestuurskantoor van de residentie; de groep opereerde langs de gehele oostkust. DeSoldaten te Bandjermasin activiteiten (maart 1942-juni 1944) waren gericht op de verspreiding van geallieerd nieuws, het uitbouwen van koeriersdiensten en spionageactiviteiten ten behoeve van NEFISmissies en in het bijzonder het onderhouden van contact met twee Chinese actiegroepen (de Verzetsbond en de Anti-Facistische Liga, een communistische groepering).

De leden van beide Chinese groeperingen werden tijdens razzia's en verraad door leden van de Kempeitai opgespoord en de leiders geëxecuteerd. Tijdens een van de razzia's langs de oostkust werden in juni 1944 ook enige leden van de groep Treffers gearresteerd, die in het bezit bleken van Japanse militaire gegevens.

De dwangverhoren van de Kempeitai leidden tot meerdere arrestaties en uiteindelijk de liquidatie van de gehele groep, die opgejaagd en achtervolgd als verzetsgroep op Sumatra nog lang stand wist te houden. De militaire rechtbank te Medan veroordeelde de 28 leden tot gevangenisstraffen en zeven, onder wie Treffers tot de doodstraf. De executies vonden op 6 oktober 1944 nabij Medan plaats op een oude tabaksplantage. Verder waren actief de Awahloentoh-groep; Zuid-Sumatra: groep L.N.W., op Palembang de Charitas Ziekenhuis-groep en op  Noord-Sumatra het Korps Insulide met acht operaties;

Verzetsgroepen op Borneo

Direct na de bezetting van Nederlands-Borneo maakten de Japanse bezettingsautoriteiten bekend dat elke vorm van vernieling zou worden aangemerkt als verzet en zaakschade van de Japanse eigendommen en dat hierop repressaillemaatregelen zouden volgen. Desondanks werd door de kleine Nederlandse troepenmacht een aantal vitale objecten (installaties, bruggen, telefoons en andere verbindingen) vernietigd, waardoor de Japanse opmars in diverse delen van Borneo vertraagd werd.

Een globaal overzicht van de dossiers en processtukken van de Temporaire Krijgsraad gaf de volgende executies als represaillemaatregel door de Japanners te zien:Tarakan (Tandjoe Baroe), 11 januari 1942: de executie van 32 KNIL-militairen; Tarakan (haven), 19 januari 1942: de executie van 215 KNIL-militairen; Bandjermasin (Coenbrug), 10 februari 1942: executie, na overdracht van de stad, van 9 Nederlanders, waaronder de burgemeester en 3 Chinezen; Bandjermasin (Telewang).  

Op 12 februari 1942: executie van 4 bestuursambtenaren; Balikpapan, 24 februari 1942: executie van 80 Nederlandse mannen, vrouwen, geestelijken, medici, verplegend personeel en anderen, waaronder 8 uit het ziekenhuis gearresteerde patiënten; Long Nawang (grensplaats met Brits-Borneo, 26 augustus 1942: executie van 44 geïnterneerde Nederlanders en Engelsen;. Long Nawang, 23 september 1942: executie van 7 vrouwen en 4 kinderen; Bandjermasin, juni 1942-januari 1944: executie van 1.200 mannen (Chinezen); Sinkawang, 12 augustus 1944: executie van 120 mannen (Chinezen); Anggona (Koetei Lama): executie van 30 krijgsgevangenen (KNIL-militairen).

Zuid-Borneo

In 1943 kwam het Haga-complot ter ore van de bezetters. Dr. B.J. Haga was - voor de bezetting - de gouverneur van de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo. Volgens de Japanners was hij de algemene leider van een uitgebreide organisatie, die opgezet was om handelend op te treden, wHage gouverneuranneer de geallieerden zouden landen. Dat optreden zou dan ook gewapenderhand zijn.

Als leiders werden de volgende personen aangewezen: de Nederlanders B.J. Haga en zijn echtgenote, A.S. Pereira, L.J. Brandon, G.D.E. Braches, A.S.W. Wardenier, Den Hartog, Y. de Vries, J.W.A. Verpalen en zijn echtgenote, M.C. Buis, Beukers, L.W.Y Bouwhuis, W. Philipsen, G.J. van der Kooi, kapitein Walsem, A.H.V.H. van der Linden en de verpleegster Z.C. Reichert; de Zwitser C.M. Vischer en zijn echtgenote; de Indonesiërs S. Raden Soesilo, Hausman Baboe, A. Roman en Makaliwy, de Chinezen Oe Ley Koey en Phoa Hok Tjwan.

Op 10 mei 1943 vonden de eerste arrestaties plaats, waarna er verschrikkelijke verhoren plaatsvonden. Als gevolg daarvan vonden op drie verschillende data nog veel meer arrestaties plaats, zodat uiteindelijk meer dan 200 personen achter de tralies verdwenen. Op 20 december 1943 werden diegenen die schuldig waren bevonden te Bandjermasin onthoofd. Het is niet bekend om hoeveel mensen dat ging.

West-Borneo

In december 1943 leidde de zogenaamde Japanisering in dit deel van Borneo tot verzet. Dit verzet werd neergeslagen, waarna veel arrestaties werden verricht. Er werden onder meer Indonesische vorsten, onder wie de sultan van Pontianak en een groot aantal Chinezen in hechtenis genomen.

Hierop volgden executies en gevangenisstraffen. In januari 1944 werd een noodkrijgsraad voor West-Borneo ingesteld ter berechting van de Chinezen die een onafhankelijke staat op West-Borneo zouden willen vestigen. Dit proces leidde tot de moord op meer dan 1.000 personen. Omstreeks 1.000 werden bij Mandor (50 kilometer ten noorden van Pontianak) ter dood gebracht en ruim 50 te soengei Doeri, noordwest van Pontianak; 46 personen, onder wie de sultan van Pontianak kregen gratie; de gedetineerden stamden meestal uit invloedrijke families. Van 3 tot 7 maart werden weer Chinezen opgepakt en omgebracht te Pamankat en Sambas, ook op West-Borneo.

Oost-Borneo

Op 15 juni werden er 60 man door de Japanners vermoord te Balikpapan. Op 4 juli 1945 werden te Koetei Lama bij Anggona 30 KNIL-soldaten omgebracht. Deze executie stond bekend als de "moord van Samarinda". In augustus 1045 werden 128 inlanders door de Japanners vermoord. En verder was nog de Party-groep Apple te Tarakan actief.

Verzetsgroepen op Soembawa

Op 14 mei 1945 werd de Indonesiër Raden Harsono te Raba gearresteerd wegens het vertrappen van de Japanse vlag.

Verzetsgroepen op Celebes

Op 19 maart 1943 werden 7 Ambonezen in Makassar omgebracht wegens anti-Japanse activiteiten en op 31 maart weer een aantal; hiervan is het precieze aantal niet bekend. Luitenant-kolonel A.L. Gortmans werd op 21 juni 1943 gearresteerd en hij werd wegens anti-Japanse activiteiten op 6 april 1944 terechtgesteld. Andere eenheden waren de groepen van H.J.G. d’Ancona, de Menado Party-groep Apricot, eenheden in de Minahassa en de Party-groep Lion.

Verzetsgroepen Molukken

Verzetsgroepen op Ambon

Aldaar was de guerrillagroep M. de Fretes, Leitimor, Ambon actief; op 7 juni 1943 werd de radja Bakerbessy van Wai - na een christelijke kerkdienst - in hechtenis genomen. Hij weigerde de uitgestoken Nederlandse vlag van zijn huis neer te halen en werd vervolgens met zijn hele gezin (7 personen) ter dood gebracht. Hetzelfde gebeurde met de regent van Toelehoe - dit gezin telde 9 personen.

Verzetsgroepen te Halmahera

Op 15 december 1943 werden een aantal inheemse guerrilla's door de Japanners opgepakt en vermoord. Deze verzetsstrijders hadden het de Japanners lastig gemaakt vanaf april 1942.

Kei-eilanden

Op 22 april 1944 werden 40 personen op de Kei-Eilanden door de Japanse bezetter ter dood veroordeeld. Hierbij bevonden zich drie dominees. De aanklacht luidde dat zij te Nederlands-gezind waren. Op 29 mei 1944 werden te Kilwik, een eilandje bij Toeal, 39 personen, waaronder drie vrouwen, door de Japanners vermoord. Zij werden beschuldigd van guerrilla-activiteiten.

Eenheden die op de overige eilanden van de Molukken actief waren zijn de  Party-groep Firtree, mensen op de Soela-eilanden; de Guerrillagroep Haroekoe, de Guerrillagroep Ceram,  de Groep ontsnapping kamp Waroem te Ceram en de Party-groep Flounder.  En te Saparoea: de Guerrillagroep J. Litamahuputty, Oost-Saparoea-Ceram, de  Guerrillagroep D.P. Leihitu te Saparoea en de  Groep Kaoem Menjala, Saparoera.

Elders waren actief: de Groep Toeal, Kei-eilanden, de Party-groepen Walnut I en II, Aroe-eilanden en de Groep kampong Empalawas en de Babar Groep, Leti-eilanden

Op Nieuw-Guinea: de verzetsgroepen Nieuw-Guinea Party-groep, de Oakree Party, de groep Crayfish en de groep J. van Eechoud, bekend van "Operatie Bulldozer".

Verzet in jappenkampen

Ook binnen de jappenkampen vonden verzetsactiviteiten plaats. Deelnemers daaraan waren onder meer M. Voren, A.L. Gortmans en M. Meyer Cohen.

Cijfers

Een schatting van de aantallen verzetsstrijders en het lot daarvan geeft de volgende cijfers: 25.000 verzetsmensen: 10.000 gesneuveld bij schermutselingen, ter plaatse vermoord of vermoord na gevangenname; 15.000 leden van het verzet werden gevangen genomen door de Kempeitai; Van deze 15.000 overleden 7.000 tijdens verhoren; 5.000 werden geëxecuteerd; 3.000 werden veroordeeld tot gevangenisstraf; Van de 3.000 in gevangenschap overleden 2.000 in de gevangenis; 1.000 overleefden de oorlog.

Zie ook

Bronvermelding

  • A.G. Koops Dekker. Het verzet in Nederlands Oost-Indië. 1942-1945. in: Herrezen Nederland (1945-1955). Nationaal 5 Mei-Comité.
  • L. de Jong. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Nederlands-Indië. deel 11-b. 
  • 1985. P. van Meel, redacteur. Tanda kehormatan KNIL. Eerbewijs aan het KNIL. Samengesteld door de Stichting Erefilm KNIL.
  • 1992. Redactie: Bert Immerzeel & Frank van Esch Verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetting, 1942-1945 SDU
  • 1996. Comité Ancol. Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. Bladzijde 221-222.
  • 1996. Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. Tweede Wereldoorlog. De geuzen van het Indisch Verzet 1942 -1945 onder redactie van Ed Melis vz.-int. Comité Ancol.
  • 1998. S.A. Lapré. Nederlands-Indië 1940-1950 in kort bestek en enkele gevolgen onder andere van de coup-Westerling en het Zuidmolukse verzet. Eigen Beheer.
  • 2011. E. Zwinkels. Het Overakker Complot. Spectrum.

 

 

f t