Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Coenraad Adriaan de jong


Dit artikel is mogelijk gemaakt door de familie. Alle foto's zijn eigendom van de Universiteit van Leiden.


Vroege loopbaan

Coenraad Alexander de Jongh (geboren te Rotterdam op 12 januari 1803 en overleden te Utrecht op 28 mei 1873) studeerde rechtsgeleerdheid te Utrecht en promoveerde aldaar in september 1825. In november 1826 vestigde hij zich als advocaat van de Domeinen in Antwerpen en was daar lid van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Hij werd in december 1828 te Antwerpen bij de schutterij bevorderd tot eerste luitenant; in deze rang keerde hij in verband met het uitbreken van de Belgische Opstand in november 1830 naar Rotterdam terug, waar hij werd ingedeeld  bij het eerste bataljon van de mobiele Zuid-Hollandse Schutterij. De Jongh werd toegevoegd als ordonnans-stafofficier van kolonel Des Tombes aan de staf van de eerste brigade van de tweede divisie infanterie (waarbij onder meer de Hertog van Saxen-Weimar actief was).

De Jongh nam bij dit onderdeel deel aan de Belgische veldtocht, de Slag bij Ravels en aan de slag bij de IJzerberg bij Leuven (1830-1831). Bij Koninklijk Besluit van 12 oktober 1831 nummer 92 werd hij benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde voor zijn betoonde moedige gedrag. Hij vervolgde nu zijn civiele loopbaan en behaalde in 1834 het groot ambtenaarsexamen. In november 1834 vertrok hij met de Borneo van Hellevoetsluis naar Nederlands-Indië, waar hij op 14 februari 1835 aankwam en werd benoemd tot algemeen bestuursambtenaar der tweede klasse. Bij Koninklijke Resolutie van 22 september 1835 nummer 22 werd hij provisioneel belast met de functie van waarnemend secretaris en fiscaal bij de rechtbank van ommegang in de eerste afdeling.

De JonghAlbum-zwart-III-14-3FAFdJ-los-0037

 

 

 

 

 

Loopbaan als ambtenaar in Nederlands-Indië

Op 10 september 1836 vertrok De Jongh met het schip Batavia naar Soerabaja, waar hij was benoemd tot lid van de Raad van Justitie. In deze functie verving hij mr. A.F. van Alphen, aan wie op diens verzoek ontslag was verleend. In maart 1837 werd De Jongh beHM Stoomschip Bromo 2noemd tot lid van de Raad van Justitie te Batavia, waar hij in april 1838 in de Bataviasche Schutterij à la suite werd aangesteld als eerste luitenant bij het eerste bataljon. Hij was toen tevens actief als diaken van de Hervormde Kerk. In februari van dat jaar was hij al benoemd tot ommegaand rechter in de westerafdeling van Batavia.

De Jongh werd benoemd tot president van de Raad van Justitie te Samarang, bevorderd tot majoor, commandant der Schutterij aldaar en in juni 1839 benoemd tot lid van de subcommissie van onderwijs. Eerder was hij al toegetreden tot lid van het gereformeerd weeshuisbestuur te Samarang en in juni 1842 werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel, commandant der Schutterij aldaar. De Jongh werd op 25 mei 1842, tijdens de algemene vergadering van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, benoemd tot gewoon lid in Nederlands-Indië.

Lid van het Militair Gerechtshof

De Jongh werd op zijn verzoek in maart 1847 eervol ontslagen uit zijn functie van luitenant-kolonel der Samarangsche Schutterij. Toen gouverneur-generaal Jan Jacob Rochussen op 1 juli 1847 Samarang met het stoomschip Bromo bezocht sprak De Jongh hemVendutie bij de tolboom toe en begeleidde de staatsman en zijn gevolg naar de erepoort, waar het garnizoen der schutterij stond opgesteld, en vervolgens naar de feestelijkheden, die daarop volgden. In de avond van de zesde december 1849 werd in het huis van De Jongh en onder zijn supervisie, namens de gouverneur-generaal, krachtens het gouvernementsbesluit van 14 februari 1848 nummer 14, aan de dan zeer bekende pianist E.F. Rijckmans een met de initialen van de gouverneur-generaal en verguld orkestmeestersstokje uitgereikt. Dat was met name voor het onbezoldigd optreden voor en het schenken van muziekonderwijs aan weeskinderen.

In september 1850 werd De Jongh benoemd tot president van de Raad van Justitie te Batavia; toen in februari 1851 vice-admiraal E.B. van den Bosch overleed  hield Burgerlijk wetboekDe Jongh (een familielid) op diens begrafenis te Batavia op 13 februari een hartelijke en welsprekende lijkrede, waarin hij de diensten en verdiensten van de overledene als dienaar van de staat  en als mens schetste. De begrafenis werd verder begeleid door gouverneur-generaal, C.S.W. graaf van Hogendorp, de commandant van het Indische leger, de hertog van Saxen-Weimar, en diverse andere personen van zeer hoge militaire of burgerlijke rang. In december 1851 werd De Jongh aangesteld als vice-president van het Hooggerechtshof van Nederlands-Indië en in juni 1852 volgde hij mr. J.H. Donker Curtius op als lid der commissie tot het ontwerpen van een wetboek van strafrecht, ingesteld op 30 juni 1848. De Jongh werd in mei 1854 benoemd tot president van de hoofdcommissie van onderwijs in Nederlands-Indië (in 1857 gecontinueerd).

Latere loopbaan

De Jongh werd bij Koninklijk Besluit van 6 augustus 1857 nummer 67 benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw; in datzelfde jaar was het boek Burgerlijk Wetboek voor Nederlands-Indië uitgekomen bij Johan Noman en Zoon. In deze tijd was hij actief als voorzitter en meester van de vrijmetselaarsloge  De Ster in het Oosten te BAlbum-zwart-III-14-4atavia. In juli 1859 werd De Jongh op zijn Overlijdensberichtverzoek eervol ontslagen als president van de hoofdcommissie van onderwijs in Nederlands-Indië en in februari 1863 eervol in de rang van luitenant-kolonel bij de Schutterij te Samarang ontslagen, met de bepaling dat hij het uniform verbonden aan zijn rang mocht blijven dragen.

Diezelfde maand werd hij ook eervol met behoud van recht op pensioen ontslagen als vice-president van het Hooggerechtshof en vertrok hij naar Nederland, om zich aldaar te verenigen met zijn gezin, dat al in 1857 teruggekeerd was. In Nederland vestigde De Jongh zich in Utrecht, waar hij actief was als bestuurslid van het Luthers weeshuis en als lid van de vereniging tot zedelijke verbetering van gevangenen. Hij overleed in mei 1873. Zijn kleinzoon was Karel de Jongh.


Bronvermelding

  • 1828. Antwerpen. In: Nederlandse Staatscourant, 9 december 1828
  • 1835. Scheepsberichten. In: Javasche Courant, 25 februari 1835
  • 1835. Officieel gedeelte. In: Javasche Courant, 23 september 1835
  • 1836. Soerabaja. In: Javasche Courant, 28 september 1936
  • 1837. Oost-Indië. In: Utrechtse Courant, 3 februari 1837
  • 1837. Officieel gedeelte. In: Javasche Courant, 15 maart 1837
  • 1838. Officieel gedeelte. In: Javasche Courant, 17 februari 1838
  • 1838. Officieel gedeelte. In: Javasche Courant, 21 april 1838
  • 1839. Benoemd. In: Javasche Courant, 27 maart 1839
  • 1839. Benoemd. In: Javasche Courant, 24 april 1839
  • 1839. Benoemd. In: Javasche Courant, 15 juni 1839
  • 1842. Officieel gedeelte. In: Javasche Courant, 1 juni 1842
  • 1842. Officieel gedeelte. In: Javasche Courant, 22 juni 1842
  • 1847. Officieel gedeelte. In: Javasche Courant, 10 maart 1847
  • 1847. Samarang, 6 juli 1847. In: Javasche Courant, 7 juli 1847
  • 1849. Kolonien. In: Nieuwe Rotterdamse Courant, 24 februari 1849
  • 1851. Batavia, 24 februari. In: Leydse Courant, 18 april 1851
  • 1851. Oost Indische tijdingen. In: Middelburgse Courant, 22 april 1851
  • 1852. Nederlands Oost-Indië. In: De Nederlander, 19 februari 1852
  • 1852. Oost-Indië. In: Leydse Courant, 18 augustus 1852
  • 1854. Officieel gedeelte. In: De Oostpost, 3 mei 1854
  • 1857. Officieel gedeelte. In: De Oostpost, 1 oktober 1857
  • 1859. Officieel gedeelte. In: Samarangsch Advertentieblad, 15 juli 1859
  • 1863. Schutterijen. In: Java-bode, 11 februari 1863 
  • 1863. Civiel Departement. In: De Oostpost, 16 februari 1863
  • 1873. Necrologie. In: Bataviaasch Handelsblad, 14 juli 1873
  • Documenten van het Centraal Bureau voor Genealogie

[ Terug

 

f t

Login