Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

De Brauw1


Dit artikel is mogelijk gemaakt door de familie van De Brauw. Alle afbeeldingen zijn eigendom van de familie


 Familie

De Brauw was de zoon van Jacob de Brauw (1777-1840), officier in het Oost-Indische leger, en Maria Magdalena Gobius (1784-1862). Uit zijn betrekkingen met de dochter van het dorpshoofd te Ambawara werden drie kinderen geboren, Johanna Hendrika Cornelia (geboren in 1832 en overleden in 1865), Louisa (geboren in 1834 en overleden in 1899) en Albert (geboren in 1837 en overleden in 1864).

De Brauw trouwde in 1839 met Jacoba Elisabeth Maria van Heemskerck van Beest (1819-1862). Uit dit huwelijk werden meerdere kinderen geboren, waarvan vijf de volwassen leeftijd bereikten. Een dochtertje, Marie Johanna Lucie, stierf op 19 november 1843 in de leeftijd van ruim drie jaar te Batavia (geboren op 5 augustus 1840). Eerder dat jaar, op 25 augustus, was al een ander dochtertje, Jacoba Albertina (geboren op 18 februari 1842), overleden.

De kinderen die de volwassen leeftijd bereikten waren Marie Johanna Lucie (geboren 1844, overleden 1880), Jacoba Albertina (geboren 30 juni 1845, overleden in 1901), Dirk Albert Jacob Eduard (geboren in 1848 en overleden in 1914), Constance Antoinette Maria Louise (geboren in 1852, overleden in 1932) en Cornelis Albert (geboren in 1855 en overleden in 1905). 

Vroege loopbaan

Cornelis Albert de Brauw, geboren te Montfoort op 19 december 1809 en overleden te Padang op 21 februari 1862 doorliep (vanaf 12 september 1822) de Militaire School te Semarang en werd op 22 augustus 1826 vanuit de rang van élève aan de MilitaireBrauw in de rang van kapitein School benoemd tot tweede luitenant bij de achttiende Afdeling van de Nationale Infanterie van het Indische leger. Op 8 mei 1827 werd hij definitief geplaatst bij de 18de Afdeling Nationale Infanterie en nam hij deel aan de krijgsverrichtingen op Java, waarvoor hij het Java-Kruis ontving. Op 4 december 1830 werd hij overgeplaatst bij het vierde bataljon infanterie en op 19 augustus 1833 geplaatst bij het korps sappeurs.

Op 26 januari 1834 werd De Brauw bevorderd tot eerste luitenant bij de sappeurs en op 26 december 1836 bevorderd tot kapitein bij het achtste bataljon infanterie (overgeplaatst vanaf de sappeurs). In maart 1838 kreeg De Brauw een verlof naar Nederland, waarheen hij op 10 maart per Betsij en Sara vertrok. Op 28 april 1840 werd hij overgeplaatst bij het zevende bataljon en op 27 november 1841 bij het negende bataljon. De Brauw werd op 24 maart 1843 bevorderd tot majoor en overgeplaatst bij het zevende bataljon (6 augustus 1843); in september 1843 werd hij benoemd tot lid der directie van het militair Weduwen- en Wezenfonds, een functie die hij tot december 1846 bleef bekleden, hij had toen de rang van luitenant-kolonel.

Indische krijgsverrichtingen: eerste expeditie naar Bali

Gedurende deze jaren commandeerde hij het zevende bataljon en in de jaren daarop volgend zou hij het tiende bataljon commanderen (vanaf 1846). Op 12 februari 1846 werd hem het Onderscheidingsteken voor langdurige dienst als officier toegekend.Brauw ca Tijdens het jaar 1846 nam De Brauw deel aan de eerste expeditie naar Bali.

De 28ste juni 1846 had de landing plaats, die plaats vond in drie linies van vaartuigen. De eerste linie was samengesteld uit 12 kruisprauwen, ieder voorzien van een stuk geschut onder commando van luitenant-ter-zee tweede klasse J.A. van Ommen; Van Ommen zelf had de tweede colonne der landtroepen aan boord. De tweede linie bestond uit de barkassen onder bevel van luitenant-ter-zee tweede klasse J.F. Sandifort, en bevatte de eerste colonne der troepen. Deze barkassen waren bedoeld om tussen de eerste linie door te varen en onder bescherming van het geschut het eerst de landing te doen.

Achter deze linie volgde de artillerie met toebehoren op vlotten en daarna de derde linie, samengesteld uit alle beschikbare sloepen der vaartuigen onder luitenant-ter-zee tweede klasse W.C.A.B.P. Arriëus; deze linie moest de derde colonne aan troepen aan de wal zetten. Aan de wal gekomen schaarden de troepen zich in slagorde onder bescherming van het geschut der schepen. Omdat een grote hoeveelheid vijanden zich plotseling aan de rechterflank vertoonde werd een verandering van front regis nodig geacht. De troepen werden verdeeld in drie colonnes en rukten met veel moeite door de rijstvelden voorwaarts.

Kraton soesoehoenan van BaliBalinees dorp

Balinese bouwwerken

 

 

 

 

De eerste colonne, onder bevel van De Brauw, kreeg de last de aanval op Beliling te beginnen, terwijl de derde en tweede colonne, respectievelijk onder de bevelen van kapitein J.T. Loman en majoor L.A. Boers, de linkervleugel en de achterhoede zouden dekken. De eerste colonne rukte in stormmars op het dorp aan en had reeds de grote weg bereikt toen plotseling een hevig vuur op haar geopend werd uit een vijandelijke batterij, wier aanwezigheid eerder niet opgemerkt was. Er volgde een hevige aanval van met pieken gewapende Balinezen, die de troepen noodzaakte op de derde colonne terug te trekken.

Eerste luitenant E.C.F. Happé dekte deze achterwaartse beweging door een goed onderhouden fusillade. Op dit tijdstip kreeg kapitein F. van Hautburg drie lanssteken en had zijn redding slechts te danken aan de moed en zelfopoffering van tweede luitenant Van Weerden en flankeur Stevens. Toen men tot aan de zuidkant van het dorp genaderd was vond men daar de derde colonne, alsmede de artillerie, onder bevel van kapitein W.K.H. Feuilletau de Bruyn, die het met grote moeite gelukt was om zich door een diep ravijn een weg te banen en een voordelig stelling in te nemen. Het gerichte vuur van deze artillerie bracht de vijand tot staan.

 750px-Aanval op de kampong Boenkoelan800px-De artillerie voor Djaga RagaHet zevende bataljon tot de aanval oprukkend

 

 

 

 

Derde expeditie naar Bali

De Brauw werd voor zijn verrichtingen tijdens deze expeditie bij Koninklijk Besluit van 6 december 1846 nummer 4 benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde vierde klasse. De uitreiking van de Militaire Willems-Ordes van dit besluit was ter beloning van diegenen die zich loffelijk hadden onderscheiden bij gelegenheid van de expeditie tegen de vorsten van Beliling en Karang Assem op het eiland Bali op de 28ste en 29ste juni 1846.

Datzelfde jaar (20 augustus 1846) werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel bij het tiende bataljon en op 7 september 1848 overgeplaatst van het tiende naar het eerste bataljon infanterie. In 1849 nam hij als chef van de staf deel aan de derde expeditie naar Bali. De frontaanval tijdens deze expeditie diende om de aandacht van de tournerende colonne van De Brauw af te leiden. De Brauw marcheerde vijf uur lang door een ravijn met steile rotswanden van 50 tot 200 voet hoog, meerdere malen halverwege in het water (met 1 bataljon, 1 detachement sappeurs en artillerie voor handmortieren); in deze nauwe doorgang ontdekte hij sporen van mensen maar tegelijkertijd ook een trap die in de rots was uitgehouwen.

743px-Mars van het zevende bataljon2800px-Intocht van de vorst van Karang-Asam in Singa RadjaAanval der Baliers bij Kasoemba

 

 

 

 

 

Deze trap was slechts met één man tegelijkertijd op te gaan en was 160 voet hoog. De Brauw ging als eerste en de troep kwam man voor man achter hem aan. Toen hij het hoofd boven het ravijn uitstak zag hij door de struiken heen, op 400 pas afstand, een hoge en sterk bezette vesting. De Brauw ging, door struiken en alang-alang gedekt, door met het bestijgen van de rotsen; toen vijf compagnieën boven waren werden zij door de bezetting van een andere, verderop gelegen sterkte opgemerkt. Toen rukte De Brauw in de stormpas op een derde, aan de rechterzijde gelegen, sterkte op, en veroverde deze. Hierna had hij een goede positie; geflankeerd door twee redoutes stelde hij zijn troepen in slagorde op (het was nu tien uur). Tot zes uur duurde het gevecht; De Brauw werd driemaal hevig aangevallen maar wist dit gevecht te winnen.

Intussen was majoor T.E. Roqué door generaal A.V. Michiels met drie compagnieën gezonden om De Brauw te gaan zoeken; hij bereikte deze om half 4. Om 1Inname van Djaga Raga uur 's nachts vond er door officier der genie Egter van Wissekerke een verkenning plaats, die de ontdekking deed dat de vijand sliep. Daarop werden door de Nederlandse troepen nog enige versterkingen genomen en omstreeks vier uur werd de vijand ook weer actief. Majoor J. van Swieten rukte nu op en begon eveneens versterkingen te overvallen. Hoofdplaats Djaga Raga werd omstreeks vijf uur genomen. De Brauw raakte gewond door een pijlschot in de rechtkant van zijn borst (meer informatie over de pijlpunt is bij bronvermelding te vinden).

Bij Koninklijk Besluit besluit van 11 december 1849 vond Z.M. de Koning goed aan de tot de tweede en derde expeditie naar Bali behoord hebbende militairen en schepelingen van de land- en zeemacht in het algemeen zijn tevredenheid te betuigen over hun bij die gelegenheid bepijlpunt-de-Brauwtoonde moed en volharding met de bepaling dat daarvan bij afzonderlijke dagorders, zowel in Nederland als in Indië, melding zou worden gemaakt en dat onder meer het vaandel van het zevende bataljon infanterie in Oost-Indië zou worden versierd met de Militaire Willems-Orde voor de uitstekende bijzondere diensten, door dat bataljon bewezen, bij het omtrekken en aanvallen van de versterkingen van Djaga Raga op 15 en 16 april 1849.

De Brauw werd bij dit Koninklijk Besluit benoemd tot ridder derde klasse in de Militaire Willems-Orde. Hij verkreeg tevens een eresabel van gouverneur-generaal J.J. Rochussen.

Expeditie naar de Palembangse Bovenlanden 

De Brauw werd gelijktijdig met de bevordering tot ridder derde klasse benoemd tot buitengewoon adjudant van Zr. Ms. de Koning, als een eervolle onderscheiding voor zijn gedrag als aanvoerder va800px-Bij Goenoeng Maraksan een colonne tijdens bovengenoemde manoeuvre. Hij werd op 7 december 1850 aangesteld tot tijdelijk resident en militair commandant van Palembang; in 1850 nam hij deel aan een expeditie in het Batamse.

De troepen, onder bevel van De Brauw, werden op 28 februari 1850 aan boord van Zr. Ms. stoomschepen Phoenix en Samarang ingescheept ter beteugeling van de muitelingen te Bantam; zij werden op de vroege morgen van de 3de ontscheept te Bodjong Negara, aan de westkant van de Baai van Bantam. Door het maanlicht begunstigd ging men vervolgens op mars naar Boedang Batoe, waarheen ook al een andere colonne vertrokken was. Beide afdelingen kwamen kort na elkaar op het kleine plateau van kampong Boeda Batoe aan; zij werden door de vijand niet verontrust, waardoor het leek alsof deze de streek verlaten had. Dat betekende dat alleen de moordenaar van het districtshoofd ziDe Brauw2ch met zijn volgelingen in de bossen verschool. Met deze muitelingen vonden een aantal hevige gevechten plaats, die uiteindelijk ten gunste van de Nederlandse troepen beslecht werden.

In 1851 vond de expeditie naar de Palembangse bovenlanden plaats, waarover De Brauw als waarnemend resident en militair commandant het commando voerde. Op 31 augustus 1851 ondernam hij aan het hoofd van drie compagnieën infanterie een tocht naar Lahat; op de weg daarheen was de vijand overal al verdreven en werd een sterke stelling genomen. Hierop werd Doessan Tandjang Auer, het verenigingspunt van de opstand aldaar, en de verblijfplaats van de hoofdaanstichter, in brand gestoken. Van hieruit werd de tocht vervolgd naar Tebing Tingie, waar een ingesloten vesting lag. Op de weg daarheen waren verschillende punten door de vijand bezet en versterkt. Na diverse gevechten wist De Brauw op 24 september Tebing Tingie te bereiken. Op 22 september werd een ander brandpunt der opstand, Goening Karta, in brand gestoken, terwijl op de 26ste van diezelfde maand de sterkte Laboe Kloempang, nabij Tebing Tingie, genomen werd.

Op de 28ste september werd weer een tocht ondernomen om de omgeving van vijanden te zuiveren. Hierop trokken de zwervende bendes zich grotendeels terug naar de Bovenlanden en keerde een groot deel van de gevluchte bevolking terug naar de doessons. In deze streken heerste nu weer rust. Voor zijn verrichtingen in het Palembangse werd De Brauw buitengewoon bevorderd tot kolonel; dat was specifiek voor zijn verrichtingen als commandant der expeditionaire troepen in het Palembangse in 1851 en 1852, voor zijn betoonde moed, standvastigheid en goed beleid.

Latere loopbaan

Op 20 februari 1852 bevond De Brauw zich op een kotter die bij Palembang omsloeg, maar hij werd bijtijds van de verdrinkingsdood gered. Datzelfde jaar leidde hij zijn troepen gedurende enige belangrijke krijgsverrichtingen tegen de opstandelingen in De Brauw3het Palembangse. Het resultaat was dat de troepen terug konden keren naar hun garnizoen. In een dagorder van 7 mei 1854 schreef hij onder meer:ingevolge inkomende berichten is op 25 april jl. de doeson Pau, gelegen in de Marga Hadji, Divisie Komering Oemo, door een detachement troepen en pradjoerits, onder de orders van eerste luitenant J.C.W. Prager, na een hardnekkige tegenstand der muitelingen, stormenderhand vermeesterd. Dit wapenfeit kostte ons drie doden en vijftien gewonden. Ondergetekende gevoelt zich de aangename verplichting opgelegd om zijn bijzondere tevredenheid aan de officieren, troepen en pradjoerits over hun gehouden dapper gedrag te geven en hij zal niet in gebreke blijven om hen, die meer bijzonder hebben uitgemunt, aan het militair departement te signaleren.

De Brauw werd op 15 december 1852 tot kolonel bevorderd en op 10 juni 1855 benoemd tot militair en civiel bestuurder (gouverneur) van Celebes en Onderhorigheden. In maart 1856 werd hij benoemd tot corresponderend lid van de Natuurkundige Vereniging in Nederlands-Indië en op 23 juni 1857 kreeg hij wegens ziekte een tweejarig verlof naar Nederland. De Brauw werd titulair bevorderd tot generaal-majoor buiten bezwaar van de schatkist op 16 juni 1857 (op 17 januari 1858 daadwerkelijk benoemd tot die rang). Op 19 februari 1859 (KB nummer 72) werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Hij vertrok in februari 1860 uit Nederland naar Indië waar hij op 7 mei aankwam. Op 23 mei werd hij benoemd tot commandant van de tweede militaire afdeling op Java. Zijn eerste uitdaging was het beteugelen van het oproer van de vreemde, meest Zwitserse, militairen dat in januari 1860 in Djocjakarta was begonnen. Midden augustus brak er een gevaarlijke opstand uit in Semarang. Voor zijn adequate optreden bij het neerslaan van dit oproer werd hij beloond met een benoeming op 6 september 1861 tot grootofficier in de Orde van de Eikenkroon.

In juni 1861 werd hij benoemd tot civiel en militair gouverneur van Sumatra's Westkust. Gedurende de laatste maanden van zijn leven was De Brauw bij voortduring ziekelijk en zelfs een verblijf in de Padangse Bovenlanden kon in zijn toestand geen verbetering brengen. Indien hij in februari 1862 op de leeftijd van 51 jaar niet was overleden dan was hij benoemd tot luitenant-generaal en commandant van het Indische leger; deze benoeming was rond in maart 1862, maar toen was De Brauw al overleden; als diens opvolger werd C.P. Schimpf benoemd.

Bibliografie

De Brauw schreef in de Militaire Spectator nummer 28 van jaargang 1858 een artikel, genaamd Iets uit mijn Indische militaire portefeuille, waarin hij onder meer beoogde om de verrichtingen van het Indische leger meer onder het voetlicht te krijgen en de kennis die dat leger tijdens de strijd verzameld had te delen met de militair in Nederland.  Hij behandeldeAchterkant foto verder met name de strijd in het Palembangse, die woedde in 1851 en 1852. De Brauw schetste het terrein van de oorlog, de verdeling der machten en de Nederlandse politiek die aldaar gevoerd werd en ging vervolgens nader in op het verloop van de oorlog.

Hoewel tegenwoordig vaak gedacht wordt dat de inlandse bevolking met primitieve wapens tegenover het goed bewapende Nederlandse leger stond bewijst een zin als: de bevolking van het grensgewest Ampat Lawan was ruim van vuurwapens voorzien het tegenovergestelde (bladzijde 340). De Brauw gaf in zijn artikel ruim aandacht aan de toenemende rol van de godsdienst (de Islam) in de krijg en de samenstelling der expedities. Hij schetste vervolgens de militaire activiteiten en de obstakels, waarmee de strijdende troepen te maken hadden, waardoor een aanzienlijk aantal manschappen sneuvelde of gewond raakte.

In april 1859 schreef De Brauw een boekbespreking in de Militaire Spectator; deze behandelde het werk van W.A. van Rees, Handleiding tot de kennis der velddienst en vechtwijze van het Nederlands Oost Indische leger tegen inlandse vijanden (Gebroeders Muller, 's Hertogenbosch, 1959). In de recensie schreef De Brauw onder meer dat de verschillen  tussen de werkzaamheden van het Nederlandse en het Indische leger aanzienlijk waren maar dat Van Rees er goed in geslaagd was deze differentiatie inzichtelijk te maken.


Informatie betreffende de pijlpunt

Informatie van de familie: dit is de pijlpunt waarmee De Brauw op 16 april 1849 ter gelegenheid van het spijlpunt-de-Brauw2tormenderhand innemen van de vijandelijke versterkingen bij Djagar Aga op Bali verwond werd. De verwonding van De Brauw staat vermeld op het extract uit het Stamboek van de luitenant-generaal Cornelis Albert de Brauw.

De pijlpunt heeft in een vaas op het dressoir/buffet gestaan bij de dochter van de luitenant-generaal, t.w. Constance A.M.L. de Brauw, echtgenote van Coenraad Alexander de Jongh in de twintiger jaren van de vorige eeuw.


Bronvermelding

  • 1827. Officieel gedeelte. In de Bataviasche Courant, 12 mei 1827
  • 1827. Goedgekeurd door Zijne Majesteit. In: Dagblad van 's Gravenhage, 27 juni 1827
  • 1834. Militair Departement. In: Javasche Courant, 1 februari 1834
  • 1836. Officieel gedeelte. In: Javasche Courant, 28 december 1836
  • 1838. Soerabaja. In: Javasche Courant, 21 maart 1838
  • 1843. Familieberichten. In: Javasche Courant, 30 augustus 1843
  • 1843. Officieel gedeelte. In: Javasche Courant, 13 september 1843
  • 1843. Familieberichten. In: Javasche Courant, 29 november 1843
  • 1845. Verslag van het Weduwen en Wezenfonds. In: Javasche Courant, 27 augustus 1845
  • 1846. Landmacht infanterie. In: Rotterdamse Courant, 3 september 1846
  • 1846. Expeditie naar Bali. In: Algemeen Handelsblad, 6 oktober 1846
  • 1846. Kolonie. In: Nieuwe Rotterdamse Courant, 8 december 1846
  • 1848. Kolonie. In: Nieuwe Rotterdamse Courant, 21 november 1848
  • 1850. Algemeen Handelsblad, 22 mei 1850
  • 1851. Bredase Courant, 21 december 1851
  • 1852. De Nederlander, 19 augustus 1852
  • 1856. Java-bode, 12 maart 1856
  • 1858. Iets uit mijn militaire Indische loopbaan. De Militaire Spectator, 27, 337
  • 1859. Boekbespreking. W.A. van Rees, Handleiding tot de kennis der velddienst en vechtwijze van het Nederlands Oost Indische leger tegen inlandse vijanden (Gebroeders Muller, 's Hertogenbosch, 1959). Militaire Spectator, 28, 189
  • 1860.  Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage, 7 augustus 1860
  • 1862. C.A. de Brauw. †21 februari 1862. Java-bode, 8 maart 1862
  • 1892. De kolonel, militair commandant van Palembang. In: Indisch Militair Tijdschrift, 1 juli 1892, bladzijde 962
  • 1901. Historische schets van "de oproerige beweging in het Indische leger van 1860, verschenen in De Locomotief van resp. 8,11,12,14 en 15-01-1901.
  • 1940. G.C.E. Köffler. De Militaire Willemsorde 1815-1940. Algemene Landsdrukkerij. Den Haag.

[ Terug

 

 

 

f t

Login