Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Carolus Johannes boers

                                                                                              


Vroege loopbaan

Carolus Johannes Boers (Katwijk, 31 mei 1801 - voor Anjer, West Java, aan boord van Zr. Ms. korvet Triton, 3 april 1829) was een Nederlands luitenant-ter-zee tweede klasse en ridder in de Militaire Willemsorde. Boers werd voor eigen rekening toegelaten op de Artillerie- en Genieschool afdeling marine te Delft op 15 oktober 1816. Hij werd op 10 augustus 1819 benoemd tot adelborst eerste klasse en vijf dagen later geplaatst op de Minerva. Op 5 oktober 1819 werd hij overgeplaatst op Zr. Ms. fregat Van der Werff.

Begin van de expeditie naar Palembang

In de rang van buitengewoon luitenant-ter-zee tweede klasse nam Boers deel aan de tweede expeditie naar Palembang op eerder genoemd fregat. 800px-Palembang juni 1821De 24ste juni 1821 had generaal H.M. de Kock, die het opperbevel over deze expeditie had, de vijandelijke werken in de rivier, die de toegang naar de stad afsloten, na een hevige tegenstand overmeesterd.

Hij meldde in zijn rapport van 28 juni dat hij de 26ste het anker voor eerder genoemde stad had laten vallen en dat de sultan, Badaroedin, die geen uitkomst meer zag, zich bereidwillig verklaarde om de regering aan zijn broer af te staan, die zich op de Nederlandse vloot bevond, en zich, onder toezegging van lijfsgenade aan de Nederlandse troepen zou overgeven. De Kock hoopte zo in staat te zijn om de sultan en zijn familie met het oorlogsfregat De Dageraad naar Batavia op te zenden.

Gevechten

De Kock sprak vol lof over de moed en volharding van zijn soldaten en schepelingen. De vijand had zijn macht voornamelijk gevestigd in de rivier bij het eiland Gombora aan de uitwatering van de rivier de Pladjoe, te midden van een laag en moerassig land. Op dit eiland was een grote batterij opgeworpen; tussen de linker- en de rechteroever lagen twee waterbatterijen en op de oever vier, de grootste en belangrijkste bij de monding van de Pladjoe.739px-Majoor Gey van Pittius

De werken waren bezet met 126 stukken geschut die de vijand zeer goed wist te bedienen. De beide rivieren waren met dubbele rijen paalwerk onder het bereik van het geschut afgezet en achter het paalwerk lagen gewapende prauwen. Het bleek al snel dat het niet geraden was een poging te doen om de vijandelijke posities van de landzijde om te trekken. De 20ste juni vond de eerste aanval op de vijandelijke werken plaats.

Met het aanbreken van de dag namen de oorlogsschepen de hun aangewezen posities in en van weerszijden werd er hevig gevuurd. In de voormiddag begon het vuur van de kant van Gombora te verminderen; een van de kanonneerboten drong door de palen van de grote rivier door en De Kock gaf bevel aan kolonel Bisschof om met 300 man in landingsboten een aanval op de batterij te ondernemen, toen de touwen van de landingsboten werden afgeschoten, waardoor ze met de stroom mee afdreven.

Hierdoor werd het fregat Van der Werff, dan geheel ongedekt, aan het vuur van de vijand blootgesteld waardoor diverse stukken onklaar geraakten. Boers voerde tijdens de expeditie op dit schip mede het commando en was aldus in de vuurlinie; aldaar vielen door deze actie in totaal 17 doden en 63 gewonden. De Kock achtte het toen raadzaam voor die dag de verdere aanval te staken.

DibbetsNieuwe aanvallen

De volgende aanval vond de 24ste plaats; voor het aanbreken van de dag namen de oorlogsschepen hun posities in en beantwoordden het vijandelijke vuur vanaf vijf uur. Om kwart over zes verminderde dit vijandelijke vuur; kolonel Bisschof, die met zijn troepen in landingsboten door de palen heendrong, ondernam een aanval aan de linkerkant van het eiland. De batterij werd overmeesterd en de kapiteins Elout en Dibbets en luitenant Lejeune wisten de Nederlandse vlag op de vijandelijke versterkingen te plaatsen.

Een poging om de grote batterij van voren aan te vallen werd als onverstandig geoordeeld en de troepen verenigden zich aan de kant van het eiland om daar de rivier over te steken en de batterijen op de rechteroever aan te vallen. Intussen hadden de Venus en de Ajax de waterbatterijen tot zwijgen gebracht.

Deze werden door luitenant van den Ende bezet en vervolgens verbrand. De negende begonnen de verenigde troepen, onder bevel van kolonel Bisschof, de rivier over te trekken. Om half 12 plaatste luitenant-ter-zee De Lange de vlag op de achterste batterij; de tweede en derde werden al spoedig door de vijand verlaten. Deze probeerde zich nog in de eerste en grootste batterij te handhaven maar de flankeurs, geleid door de luitenants Wagener en van Styrum, drongen stormenderhand naar binnen en vermeesterden ook deze belangrijke en laatste vijandelijke positie.

Eerbewijzen

Generaal De Kock was zeer onder de indruk van de bewezen diensten van alle officieren maar roemde in het bijzonder die van de kapitein-luitenants Bakker en Reins, de luitenants Koopman, Lans, Ruys, Willink, de Koning en Rengers; ook Boers, Van Kervel, Freudenberg, Allewijn, Olijve, Jolij en Van Berkel werden 545px-Man AW de 1773-1861bij naam genoemd: Kapitein-ter-zee  Lewe van Adaard, commanderende Zr. Ms. fregat Van der Werff, hield niet op activiteit en ijver aan de dag te leggen, en in beide secties vocht hij met moed en beleid. Op zijn schip hebben alle officieren zich onderscheiden, maar speciaal de eerste luitenants Koopman en Lans en de tweede luitenants Willink, de Koning, Rengers en Boers.

De Nederlandse troepen hadden tijdens de eerste actie 46 doden en 97 gewonden gekregen, tijdens de tweede actie waren 29 doden en 140 gewonden gevallen.Boers werd bij Koninklijk Besluit van 7 mei 1822 nummer 29 benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde.

In een omvangrijke dagorder werd de lof, waarmee de geslaagde expeditie tegen Palembang in Nederland vernomen was en het blijk van de goedkeuring van de koning aan de land- en zeemacht in Nederlands-Indië medegedeeld. Z.M. betuigde verder onder meer: dat het hem een behoefte was aan de gouverneur-generaal zelf op te dragen de tolk van zijn tevredenheid en erkentelijkheid te zijn bij de zee- en landmacht in het algemeen en in het bijzonder bij diegenen, die het meest hebben uitgemunt over hun manmoedig en lofwaardig gedrag, terecht de oude Nederlandse roem volkomen waardig. Boers werd in 1827 benoemd tot luitenant-adjudant van de commandant van de Koloniale Marine, A.W. de Man.

Expeditie naar Nieuw-Guinea

In 1828 werd Boers bij besluit van 28 januari 1828 van de commissaris-generaal over Nederlands-Indië benoemd tot lid van een commissie naar de kust van Nieuw-Guinea en speciaal belast met het doen van zeevaartkundige waarnemingen. Tot dat doel kwam hij op 19 februari per Minerva van Batavia te Soerabaja aan. Zr Ms  korvet Triton Nieuw Guinea in 1828De inlanders van Tidor, Ceram en andere gedeelten van de Molukse archipel hadden sinds eeuwen de kusten van het uitgestrekte eiland Nieuw-Guinea bezocht, maar de handel was zeer geperkt gebleven door de ontoeschietelijkheid van de inwoners en het gemis van een beschermend gezag voor personen en eigendommen.

Om hierin langzamerhand te voorzien had de koning bevolen dat de westelijke kust van Nieuw-Guinea nader opgenomen en een Nederlands etablissement aldaar gevestigd zou worden. Verder diende de kust plechtig, in naam van de koning, in Nederlands bezit te worden genomen. Om aan dit besluit te voldoen werd door het Indische bestuur Zr. Ms. korvet Triton naar Nieuw-Guinea afgevaardigd, onder bevel van kapitein-luitenant-ter-zee J.J. Steenboom.

Genoemd schip werd vergezeld door de koloniale brik Iris, waarop zich de heer Van Delden, commissaris voor het vestigen van het voorgenomen etablissement, bevond. De overige leden van de expeditie waren de heer Macklot, en enige andere leden van de commissie van natuurkundig onderzoek in Nederlands-Indië, Boers, die belast was met het doen van zeevaartkundige waarnemingen en luitenant Schreijber, die het bevel zou voeren over de achter te laten bezetting.

Na de eerder door luitenant-ter-zee D.H. Kolff ontdekte Dourga-rivier nader te hebben opgenomen en deze ongeschikt te hebben bevonden voor het vestigen van een etablissement onderzocht men de kust verder noordwaarts. Het fregat Zr Ms  Diana en het korvet Zr Ms  Triton 1837Hier ontdekte men op 3 graden, 42 minuten zuiderbreedte en 133 graden, 57 minuten oosterlengte, een tot dan toe geheel onbekende baai, die nu de Tritonbaai genoemd werd en die geschikt bevonden werd voor het voorgestelde doel. In deze baai werd met de hulp van de inlanders een kleine sterkte gebouwd, die de naam van Fort Du Bus kreeg.

Op de 24ste augustus 1828, ter gelegenheid van de viering van de geboortedag van de koning, werd de Nederlandse vlag er geplant. Tijdens de korte reis van Zr. Ms. korvet Triton en bark Iris langs de kust van Nieuw-Guinea werden enige belangrijke waarnemingen gedaan ten aanzien van de geografie, de natuurlijke historie en de zeevaartkunde.

Men hoopte indertijd dat een duurzaam verblijf van een Nederlandse bezetting op het eiland aanleiding zou geven tot belangrijke ontdekkingen en onder andere tot een bepaald onderzoek omtrent de Dourga-rivier; men dacht dat uit zo'n onderzoek zou kunnen blijken dat deze rivier een zee-engte zou kunnen zijn, die het zuidwestelijk gedeelte van Nieuw-Guinea tot een afzonderlijk eiland vormde.

Beschrijving van de reis

De vijf leden van de natuurkundige commissie, de heren Dr. H.C. Macklot, G. van Raalten, P. van Oort, S. Müller, A. Zippelius maar ook Boers begaven zich bij aanvang van de expeditie van Java naar Makassar, per koopvaardijschip Minerva; aldaar stapte men (ook Boers) over op het korvet Triton. Fort du Bus in 1828De Minerva deed op zijn weg langs de kust van Java de plaatsen Tegal, Semarang en Soerabaja aan. Het schip was overbeladen en pas te Soerabaja was men in staat geweren en andere behoeften te kunnen kopen en mensen aan wal te sturen om voedsel te kunnen verschaffen middels de jacht.

Op 15 maart lichtte de Triton het anker en bereikte de 29ste Ambon. Op 21 april 1828 vertrok het schip, vergezeld door de schoener Iris, van daar en bereikte de 25ste Banda. Het primaire doel van de expeditie was het vinden van een militair steunpunt en al snel bleek dat de Dourga-rivier daarvoor niet geschikt was omdat de omgeving aldaar te laag, moerassig en onderhevig aan overstromingen was.

Nadat men tien mijl stroomopwaarts was gevaren bleek dat het drinkwater op was en omdat het niet in de bedoeling van het gouvernement lag een vestiging zo ver landinwaarts te doen keerde men terug. Tijdens een aanval door inlanders op een sloep waren bovendien enige matrozen en officieren door pijlen gewond geraakt.

Na deze verkenning werd op 27 mei koers in noordwestelijke richting gezet langs de lage kust van Nieuw-Guinea. Ondiepten en branding maakten een landing op de kust niet geraden en op 3 juni werd de monding van waarvan men dacht dat het de rivier Oetanata (136°55' O L en 4°51'30" Z B) was, bereikt, waar de schepen voor anker gingen. Ook deze plaats was ongeschikt voor een vestiging omdat er een bank lag, die een grote branding veroorzaakte, waardoor schepen verhinderd werden de rivier op te varen.800px-Atlas pittoresque pl 124

Op 9 juni werd weer onder zeil gegaan en bleek dat de echte rivier de Oetanata op 136°9'20"OL, en 4°32'20" Z B lag. Deze locatie was beter geschikt maar werd toch afgewezen omdat de bodem ongeschikt was. Op de 22ste werd de reis in noordwestelijke richting voortgezet en op 28 juni werd het eiland Aidoema bereikt.

Op 4 juli werd eindelijk een geschikte plaats voor een te bouwen sterkte gevonden, aan het noordelijke uiteinde van de baai, in het landschap Lobo; deze baai werd de Triton-baai genoemd. Het verblijf te Lobo duurde bijna twee maanden omdat de bemanning van de Triton moest helpen bij de bouw van het fort (houten gebouwen omgeven door een dubbele palissade). De plaats zelf werd Merkusoord genoemd.

Gedurende die tijd heersten er slechte gezondheidstoestanden; van de 17 officieren werden er 14 ziek en bij de minderen was de toestand al niet veel beter. Op de 29ste augustus werd weer onder zeil gegaan en de 5de september bereikte men uiteindelijk de baai van Amboina. Aldaar teisterden allerlei ziekten de bemanning en moesten 62 daarvan naar het hospitaal worden gezonden; op Ambon stierf kapitein-luitenant-ter-zee Steenboom (4 oktober), zodat het totaal aantal doden opliep tot 21. Ook Boers was inmiddels ziek geworden. De Triton voer op 7 oktober van Ambon via Timor en Passaroang naar Soerabaja waar ze op 5 november 1828 aankwam en op 5 maart weer vertrok via Samarang naar Batavia.

Dood van Boers

Boers was er zo slecht aan toe dat hij naar Nederland wilde terug keren en op 12 december 1828 werd hem op zijn verzoek eervol ontslag verleend.Hij vertrok op 2 april 1829 als passagier op de Triton vanaf Batavia maar overleed al de volgende dag, 28 jaar oud. De Triton voer toen nog voor de kust van West-Java ter hoogte van Anjer. Zijn jongere broer, Laurens Adriaan Boers, was eveneens aan boord en zal hem in zijn laatste ogenblikken bijgestaan hebben.

Boers L A Een kleine week later verschenen twee overlijdensberichten in de Javasche courant. Namens zijn vroegere werkgever A.W de Man: "Het gouvernement verliest in hem een gedistingeerd zee-officier" en namens zijn oudere broer Jan Willem Boers (1800-1868) die toen in Semarang woonde: " Onze hartelijk geliefde broeder Carolus Johannes Boers, luitenant-ter-zee, ridder Militaire Willems-Orde, overleed in de nacht van de 3de april aan boord van Zr. Ms. korvet Triton; een smartelijke borstkwaal, waaraan hij sinds een geruime tijd veel geleden had, maakte een einde aan zijn leven. Zeer treft ons deze droeve gebeurtenis, daar wij ten volle de grootte van ons verlies beseffen".

Na aankomst in Nederland begin augustus volgde ook daar een advertentie.[Collega officier J. Modera, bemanningslid van de Triton, schreef in 1830: "Niet lang na de tocht van de Triton is de kundige en werkzame luitenant C.J. Boers aan de gevolgen daarvan overleden. Hij stierf op 3 april 1829 voor Anjer op de terugreis van Batavia naar Europa. Wij betreuren het afsterven van deze kundige zeeofficier, wiens ambitie voor zijn vak onbeperkt was en die sinds ruim drie maanden het einde van zijn leven met de grootste gelatenheid langzaam en toch met al te rasse schreden zag naderen."

Boers liet zeekaarten en een uitvoerig dagboek van de Nieuw Guinea expeditie na die de basis vormden voor latere publicaties onder andere door J. Modera en J.F.L. Schrõder. Een deel van zijn kaarten bevindt zich in het Nationaal Archief.


Bronvermelding

  • 1830 J. Modera, Verhaal van eene reize naar en langs de zuid-westkust van Nieuw-Guinea gedaan in 1828 door Z.M. corvet Triton, en Z.M. coloniale schoener de Iris: xvi + 160 blz; Haarlem Vincent Loosjes.
  • 1837 J.F.L. Schrõder, Verhandelingen en berigten betrekkelijk het zeewezen en de zeevaartkunde. blz 533-624
  • 1928. G.F. Mees. Vogelkundig onderzoek op Nieuw Guinea in 1828. Terugblik op de ornithologische resultaten van de reis van Zr. Mr. Korvet Triton naar de zuid-west kust van Nieuw-Guinea. hoofdstuk 3. "De reis", blz 3-11.
  • 1940. G.C.E. Köffler. De Militaire Willemsorde 1815-1940. Algemene Landsdrukkerij. Den Haag.

 [ Terug ]

 

f t

Login