Gebruikerswaardering: 3 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter inactiefSter inactief
 

Tweede expeditie palembang


Klik hier voor het fotoalbum


De eerste expeditie

De  eerste en tweede expeditie naar Palembang waren strafexpedities van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar Palembang in 1819 en 1821. De verhouding tussen Sultan Mahmud Badaruddin II van Palembang en comWolterbeek CJofficiermissaris Muntinghe was al enigszins gespannen in 1818; gedurende een reis van Muntinghe naar de binnenlanden, waar zich nog een Engels detachement ophield, maakte de sultan aanstalten het Nederlands gezag aan te tasten, door het op de been brengen van gewapende bendes en door allerlei voorbereidingen.

Toen Muntinghe terugkeerde en van een en ander op de hoogte was gesteld eiste hij van de sultan gijzelaars; in juni 1819 werd die eis beantwoord met een aanslag op het Nederlands fort te Palembang; de bezetting sloeg de aanval af; een poging om de kraton te bezetten mislukte en de Nederlandse troepen moesten zich terugtrekken om op Banka versterking af te wachten, terwijl de oorlogsschepen aan de monding van de Soengsang post bleven vatten. Aan boord brengen sultanMuntinghe ging naar Java om inlichtingen te geven en er werd besloten om een escader landingstroepen, onder bevel van schout-bij-nacht Wolterbeek, tegen Palembang uit te zenden.

Op 22 augustus vertrok de expeditie van Batavia; toen men te Muntok aankwam bleek dat Sultan Mahmud Badaruddin II ook op Banka onlusten had verwekt, zodat de 17de september enkele versterkingen te Banka Kota werden genomen. Pas de 30ste september kon men de rivier van Palembang binnenkomen en het duurde tot 20 oktober voor Wolterbeek het eiland Gombora en de aldaar opgeworpen versterkingen was genaderd.

Het ongunstige weer, als gevolg van de ingevallen regenmoesson, maakte echter zoveel zieken op de schepen, en het moerassige terrein was bovendien zo ongunstig voor de landing, dat Wolterbeek de 30ste oktober onverrichter zake moest terugtrekken. De troepen keerden naar Banka en Batavia terug; alleen de schepen bleven om de riviermonden te blokkeren.

Deze eerste vruchteloze poging om de sultan van Palembang terecht te wijzen, versterkte niet weinig het verzet van de inlanders van Banka, die voortdurend door afgevaardigden van de sultan tot volharding werden aangespoord. In november 1819 werd zelfs inspecteur generaal der tinmijnen, Smissaert, vermoord; door versterking van de militaire posten kon een opstand verder voorkomen worden. Door het sneuvelen van Raden Klink, het hoofd der zeerovers van de Lepar-eilanden, die de opstandelingen ondersteunde, werd de voornaamste tegenstand gebroken en de rust, althans voorlopig, hersteld. Er zou nog een tweede expeditie nodig zijn om de rust voorgoed in Palembang te doen terugkeren.

Tweede expeditie naar Palembang

Nadat de eerste expeditie vroegtijdig had moeten terugtrekken werd een tweede expeditie tegen de sultan van Palembang noodzakelijk o467px Hendrik Merkus Baron de Kock in 1854m het Nederlands gezag op de oostkust van Sumatra te herstellen.  De Nederlands-Indische regering besloot met de onttroonde sultan Ahmad Najamudin II en zijn zoon in onderhandeling te treden, om de eerste te doen berusten in afstand van de troon met verheffing van de laatste tot regerend sultan.

Beiden namen het voorstel aan; de zoon zou onder de titel van sultan de regering aanvaarden en het rijk van het Nederlands-Indische gouvernement in leen ontvangen. Zijn inkomsten zou hij trekken uit de opbrengst van de grond, terwijl het gouvernement de in- en uitgaande rechten, de pachten enz. zou innen en door de resident toezicht zou doen uitoefenen op de rechtspleging.

De expeditie

Op 9 mei 1821 vertrok legercommandant De Kock van Batavia met een vloot van 18 oorlogs- en transportschepen, bemand met 2.600 matrozen, waarvan 1.200 Europeanen, terwijl de troepen 1.780 man telden. De 12de juni kwam de expeditie voor de batterijen aan de Plaju en op het eiland Gombora (Kemaro) dat sterk bewapend was en de toegang tot de hoofdplaats belette.

In de rang van buitengewoon luitenant-ter-zee tweede klasse nam Boers deel aan de tweede expKaart rivier Palembangeditie naar Palembang op eerder genoemd fregat. De 24ste juni 1821 had generaal H.M. de Kock, die het opperbevel over deze expeditie had, de vijandelijke werken in de rivier, die de toegang naar de stad afsloten, na een hevige tegenstand overmeesterd.

Hij meldde in zijn rapport van 28 juni dat hij de 26ste het anker voor eerder genoemde stad had laten vallen en dat de sultan, Badaroedin, die geen uitkomst meer zag, zich bereidwillig verklaarde om de regering aan zijn broer af te staan, die zich op de Nederlandse vloot bevond, en zich, onder toezegging van lijfsgenade aan de Nederlandse troepen zou overgeven. De Kock hoopte zo in staat te zijn om de sultan en zijn familie met het oorlogsfregat De Dageraad naar Batavia op te zenden.

De Kock sprak vol lof over de moed en volharding van zijn soldaten en schepelingen. De vijand had zijn macht voornamelijk gevestigd in de rivier bij het eiland Gombora aan de uitwatering van de rivier de Pladjoe, te midden van een laag en moerassig land. Op dit eiland was een grote batterij opgeworpen; tussen de linker- en de rechteroever lagen twee waterbatterijen en op de oever vier, de grootste en belangrijkste bij de monding van de Pladjoe.

De werken waren bezet met 126 stukken geschut die de vijand zeer goed wist te bedienen. De beide rivieren waren met dubbele rijen paalwerk onder het bereik van het geschut afgezet en achter het paalwerk lagen gewapende prauwen. Verovering van PalembangHet bleek al snel dat het niet geraden was een poging te doen om de vijandelijke posities van de landzijde om te trekken. De 20ste juni vond de eerste aanval op de vijandelijke werken plaats.

Met het aanbreken van de dag namen de oorlogsschepen de hun aangewezen posities in en van weerszijden werd er hevig gevuurd. In de voormiddag begon het vuur van de kant van Gombora te verminderen; een van de kanonneerboten drong door de palen van de grote rivier door en De Kock gaf bevel aan kolonel Bisschof om met 300 man in landingsboten een aanval op de batterij te ondernemen, toen de touwen van de landingsboten werden afgeschoten, waardoor ze met de stroom mee afdreven.

Hierdoor werd het fregat Van der Werff, dan geheel ongedekt, aan het vuur van de vijand blootgesteld waardoor diverse stukken onklaar geraakten. BPalembang overmeesteringoers voerde tijdens de expeditie op dit schip mede het commando en was aldus in de vuurlinie; aldaar vielen door deze actie in totaal 17 doden en 63 gewonden. De Kock achtte het toen raadzaam voor die dag de verdere aanval te staken.

De volgende aanval vond de 24ste plaats; voor het aanbreken van de dag namen de oorlogsschepen hun posities in en beantwoordden het vijandelijke vuur vanaf vijf uur. Om kwart over zes verminderde dit vijandelijke vuur; kolonel Bisschof, die met zijn troepen in landingsboten door de palen heendrong, ondernam een aanval aan de linkerkant van het eiland. De batterij werd overmeesterd en de kapiteins Elout en Dibbets en luitenant Lejeune wisten de Nederlandse vlag op de vijandelijke versterkingen te plaatsen. Een poging om de grote batterij van voren aan te vallen werd als onverstandig geoordeeld en de troepen verenigden zich aan de kant van het eiland om daar de rivier over te steken en de batterijen op de rechteroever aan te vallen.

Intussen hadden de Venus en de Ajax de waterbatterijen tot zwijgen gebracht, deze wePalembangse beschietingenrden door luitenant van den Ende bezet en vervolgens verbrand. De negende begonnen de verenigde troepen, onder bevel van kolonel Bisschof, de rivier over te trekken. Om half 12 plaatste luitenant-ter-zee De Lange de vlag op de achterste batterij; de tweede en derde werden al spoedig door de vijand verlaten. Deze probeerde zich nog in de eerste en grootste batterij te handhaven maar de flankeurs, geleid door de luitenants Wagener en van Styrum, drongen stormenderhand naar binnen en vermeesterden ook deze belangrijke en laatste vijandelijke positie.

Generaal De Kock was zeer onder de indruk van de bewezen diensten van alle officieren maar roemde in het bijzonder die van de kapitein-luitenants Bakker en Reins, de luitenants Koopman, Lans, Ruys, Willink, de Koning en Rengers; oCarolus Johannes boersok Boers, Van Kervel, Freudenberg, Allewijn, Olijve, Jolij en Van Berkel werden bij naam genoemd: Kapitein-ter-zee jhr Lewe van Aduard, commanderende Zr. Ms. fregat Van der Werff, hield niet op activiteit en ijver aan de dag te leggen, en in beide secties vocht hij met moed en beleid. Op zijn schip hebben alle officieren zich onderscheiden, maar speciaal de eerste luitenants Koopman en Lans en de tweede luitenants Willink, de Koning, Rengers en Boers.

De Nederlandse troepen hadden tijdens de eerste actie 46 doden en 97 gewonden gekregen, tijdens de tweede actie waren 29 doden en 140 gewonden gevallen.Boers werd bij Koninklijk Besluit van 7 mei 1822 nummer 29 benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde.

In een omvangrijke dagorder werd de lof, waarmee de geslaagde expeditie tegen Palembang in Nederland vernomen was en het blijk van de goedkeuring van de koning aan de land- en zeemacht in Nederlands-Indië medegedeeld. Z.M. betuigde verder onder meer: dat het hem een behoefte was aan de gouverneur-generaal zelf op te dragen de tolk van zijn tevredenheid en erkentelijkheid te zijn bij de zee- en landmacht in het algemeen en in het bijzonder bij diegenen, die het meest hebben uitgemunt over hun manmoedig en lofwaardig gedrag, terecht de oude Nederlandse roem volkomen waardig.

Naspel

Al het jaar daarop (1822) bleek dat de overeenkomst met de nieuwe vorst en zijn vader gesloten niet werd nagekomen. Op aandrang van de resident van Banka en de door het gouvernement van Palembang benoemdPalembangse overwinningene commissaris Van Sevenhoven (die de Bovenlanden, waarvan de bevolking door de hoofden werden onderdrukt, onder het rechtstreekse gezag van het gouvernement gebracht wilde zien) besloot men een einde aan de zaak te maken.

Op 18 augustus 1823 werd een nieuw contract met de sultan gesloten, waarbij deze een inkomen van 1.000 Spaanse matten per maand kreeg toegekend en bestuur en rechtspleging aan het gouvernement toevielen; de sultan en zijn omgeving waren met deze regeling niet tevreden, pleegden een moordaanslag op Van Sevenhoven, pleegden verzet tegen de betaling van belastingen en deden een aanval op de buiten de Kraton gelegerde troepen. De sultan vluchtte, zijn vader gaf zich over; het sultansbestuur werd nu afgeschaft (1825) en eindelijk werd de sultan gevangengenomen en verbannen naar Banda. Dat betekende het einde van de onlusten te Palembang. Pas in de jaren vijftig was weer een expeditie naar Palembang nodig.


Bronvermelding

  • 1900. W.A. Terwogt. Het land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis van de Nederlanders in oost-Indië. P. Geerts. Hoorn
  • 1900. G. Kepper. Wapenfeiten van het Nederlands Indische Leger; 1816-1900. M.M. Cuvee, Den Haag.
  • 1876. A.J.A. Gerlach. Nederlandse heldenfeiten in Oost Indë. Drie delen. Gebroeders Belinfante, Den Haag.

 

[ Terug
f t

Login