1280px Luitenant L de Paauw op de versterking van Boni


Het fotoalbum vindt u hier


Inleiding

Al in 1824 en 1825 was het tot vijandelijkheden gekomen tussen het Nederlands-Indische gouvernement en Boni tijdens de eerste en de tweede Boni-expeditie; pas in 1838 trad Boni toe tot het Bonggaische tractaat; in de jaren daarna nam de verwijdering steeds toe terwijl de handel van Celebes zich van Makassar naar Singapore begon te verplaatsen.

Op de westelijke kustplaatsen van Celebes begonnen de aldaar gevestigde Bonieren steeds meer de dienst uit te maken ondanks herhaaldelijk protest van de gouverneur van Celebes en Onderhorigheden; gouverneur-generaal Rochussen bezocht in 1849 Boni maar het lukte hem niet aan de bestaande spanning een einde te maken.

Hij schreef hierover in een rapport dat hij een oorlog met Boni in het verschiet zag omdat de Bonieren de vredelievende staatkunde van de regering aan zwakheid zouden toeschrijven en betoogde de wenselijkheid om een punt in de baai van Boni te bezetten, zodat men dit rijk steeds in bedwang kon houden.

Aanloop tot de expedities

In de periode die volgde was er meer dan eens sprake van een expeditie naar Boni maar staatkundige redenen van diverse aard hadden het gouvernement er steeds van af doen zien; dit voornemen werd ook bekend aan de koning van 1280px Charge der cavalerie bij BoniBoni, die daarop een oud verbond met Soppeng en Wajo (het zilverenverbond genaamd) vernieuwd had om in het geval van een aanval gezamenlijk de Nederlandse krijgsmacht te bevechten. Toen de expeditie vervolgens niet plaatsvond werd dat door de Bonieren toegeschreven aan onvermogen en vrees.

Ook in 1857 werd door gouverneur generaal Pahud tot een expeditie besloten maar ook nu werd dit voornemen niet uitgevoerd. Inmiddels was koning Aru Pugi in 1857 overleden en opgevolgd door zijn weduwe Besse Kajuara, die dit in een kort briefje aan het gouvernement liet weten, dat hier weer een poging tot toenadering in zag en hoopte dat de dood van de het gouvernement vijandig gezinde koning de zaken ten goede zou keren.

Aan het einde van 1857 werd aan de gouverneur ter kennis gegeven dat de koningin van Boni aan alle handelsprauwen bevel had gegeven om de Nederlandse vlag omgekeerd te voeren; verder werden hoofden tegen het gouvernement opgezet en werden in het noorden van het gouvernementsdistrict Maros inlandse soldaten, die de post bij Camba bezet hielden, tot desertie aangespoord.

Het ultimatum

 Kolonel der infanterie J.A. Waleson Op 13 november 1858 nodigde de gouverneur-generaal de bevelhebbers der land- en zeemacht uit om hem een vooPlattegrondschets van de redoute te Badjoarstel te doen betreffende de samenstelling van een eventuele expeditie onder leiding van generaal-majoor E.C.C. Steinmetz; als regeringscommissaris werd benoemd P.J.B. de Perez, vicepresident van de Raad van Nederlands-Indië. Op 12 januari scheepte de opperbevelhebber zich in aan boord van de Princes Amelia waar men op 19 januari 1859 aankwam en werd er een ultimatum gezonden naar de koningin, waarin de grieven van het gouvernement waren weergegeven en waarin genoegdoening verlangd werd.

Wanneer binnen drie maal 24 uur na de ontvangst van het document niet aan de voorwaarden was voldaan dan zou aan Boni de oorlog worden verklaard. De koningin liet niets van zich horen, de oorlog werd nu verklaard en op 12 februari had de landing der troepen plaats, werden er drie aanvalcolonnes geformeerd en werden de kampongs Lonrae, Bola-Telu-Telang en Bajoe veroverd.

De expeditie

Er volgde nu een reeks verkennings- en veroveringstochten en de 18de februari werd er een aanval tegen de hoofdplaats van Boni gedaan maar die beweging werd halverwege afgebroken door de ontoegankelijkheid van het terrein. Steinmetz werd door een schot in zijn arm getroffen en moest het opperbevel overgeven aan kolonel der infanterie Waleson, tot tweede bevelhebber werd luitenant-kolonel Kellerman benoemd.

Met veel moeite had men inmiddels een weg gemaakt naar kampong Lona; meermalen werd een aanval op de hoofdplaats uitgesteld door het slechte weer maar de 28ste februari werd eindelijk tot de aanval overgegaan en kwam men tot voor de hoofdplaats, die door de Bonieren in allerijl verlaten was. Er werd een verkenning in de omgeving gedaan, waarbij geen vijandeDoor onze krachten bleven de handen vast kopien gezien werden en men keerde naar Bajoe terug, dat tot een blijvende versterking zou worden ingericht.

Nu begonnen verschillende ziekten de troepen te decimeren: op 6 maart waren er 161 zieken, een week later al 210; de civiele regeringscommissaris werd door een beroerte getroffen en overleed op 17 maart aan de gevolgen daarvan (hij werd opgevolgd door de gouverneur van Makassar, Schaap); op de 29ste maart was de situatie zo ernstig geworden met betrekking tot ziekten dat men begon te overwegen de expeditie te staken. Ook de cholera begon de troepen nu te teisteren; op 4 april was het fort in verdedigbare toestand, waar een bezetting zou achterblijven; de marine zou intussen de kusten blokkeren.

De legercommandant sommeerde de opperbevelhebber Waleson per brief in Boni te blijven en deze riep nu de krijgsraad bijeen, die unaniem instemde met een terugkeer naar Batavia vanwege de slechte gezondheidstoestand. De expeditie was totaal mislukt omdat er geen enkele staatkundige beslissing genomen en de vijand nog geenszins verslagen was. Een volgende expeditie zou nodig zijn om het gezag van het gouvernement in Boni opnieuw te bevestigen.

Tweede expeditie

De eerdere expeditie naar Boni was Nederland in 1859 op zware verliezen komen te staan: 528 man (316 Europese en 212 inlandse soldaten) waren gesneuveld of overleden, zowel op het oorlogsveld als later ten gevolge van de expeditie. De kleine bezetting van Badjoa bleef op het weinig herbergzame strand van Boni achter, waar ziekten bleven voortwoeden.

Aldus was de eerste expeditie naar Boni afgelopen zonder dat de beoogde resultaten verkregen waren. De houding van de vijand bewees dat er nog lang niet sprake van een staatkundige beslissing kon zijn en dat zelfs de afstraffing, die Boni ondergaan had, niet voldoende was geweest om zich van verdere vijandelijkheden af te houden.

Begin van de expeditie

Er was dus een tweede expeditie naar Boni noodzakelijk; tot opperbevelhebber werd luitenant-generaal Van Swieten, tweede commandant Kellerman, benoemd, op 16 oktober kon het vertrek der troepen vastgesteld worden en op 3 november ging Van Swieten te Makassar aan land. Er liepen te Boni geruchten dat er een plan beraamd werd om de 2de november de redoute te Bajoe met een grote overmacht aan te vallen en men diende snel op te treden.

Op de 22ste november opende de zeemacht het vuur op de vijandelijke versterkingen aan de Tangka-rivier; de landmacht had inmiddels tal van vijandelijke bentings onschadelijk gemaakt; Van Swieten gaf nu opdracht om op een geschikt emplacement nabij Balangnipa een vierkante redoute te maken met een zware palissadering en stelde daar kapitein Wiegand aan als militair commandant. Nu zou voor de tweede keer de hoofdplaats Boni worden aangevallen.

Tegenstand en ziekte

De na de eerste expeditie achtergebleven bezetting van Bajoe was er intussen slecht aan toe: het grootste deel was ziek en de gezonden waren zo uitgeput dat de Bonieren tot op het glacis konden komen zonder dat hen dat belet kon worden. Majoor Staring nam het bevel van kapitein Rijkens over en liet de troepen vervangen. De derde december kwam Van Swieten in Bajoe aan en gelastte de zesde december op te rukken naar Palakka, om vandaar verder acties tegen Pasempe en Pompanua te ondernemen.

Onderweg stuiVlag uit Balitte men op de vlakte van Boni op een machtige versterking, de versterking van Boni, waartegen men storm liep. Van Van Swieten mochten de troepen niet het vuur openen maar zodra zij onder het bereik van het vuur van de Bonieren kwamen openden die het vuur. De palissadering van de versterking moest worden opgeruimd en menig officier of mindere werd neergeschoten, waaronder luitenant Royen en majoor Kroesen maar eindelijk lukte het de versterking binnen te dringen.

Zonder verder verzet werd de mars vervolgd en Palakka bereikt en als uitgangspunt van verdere operaties ingericht. De koningin was intussen gevlucht en nu werden voorbereidselen gemaakt om naar Pompanua op te rukken. Aan kapitein Steck, lid van de staf van de expeditie, en aan De Rochemont werd opgedragen om de weg te verkennen; zij bereikten zonder tegenstand de kampong Mico; van hier werd verder opgerukt naar Pompanua via kampong Lanca, waar gebivakkeerd werd; Pompanua werd zonder gevechten ingenomen, er werden diverse bewijzen van toenadering door de bevolking en hoofden gegeven en de oorlog leek zijn einde te naderen.

Einde expeditie en consolidatie

Op 28 december 1859 verklaarde Van Swieten de expeditie tot beëindigd en om de kosten van de expeditie niet onnodig te bezwaren zond hij het 14de bataljon terug naar Soerabaja en de beide compagnieën van het achtste naar Makassar; begin 1860 werd de blokkade van de kust opgeheven. Het Nederlands-Indisch gouvernement verklaarde de landen Oud-Bulukumba, Kajang en Sinjai tot aan de rivier Tangka ten teken van behaalde overwinningen in bezit en onder eigen bestuur te nemen en het overige deel van het rijk Boni van Tangka tot Cenrana als een leen door een vorst en de hadat van Boni te laten besturen

Tot de nieuwe vorst werd Ahmad Singkaru' Rukka Aru Palakka gekozen (30 januari 1860). Op 4 februari werd het verdrag met Soppeng ondertekend, negen dagen later dat van Boni, in het bijzijn van alle autoriteiten, terwijl Aru Palakka met de hadat en de voornaamste rijksgroten de plechtigheid bijwoonde. Nu de orde was hersteld was het niet meer nodig om een permanente vestiging te Bajoe te laten, werd de redoute geslecht en keerden de troepen allen naar Batavia terug.


 

[ Terug ]

f t