De Expeditie naar Korintji was een strafexpeditie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar Korintji, aan de westkust van Sumatra, van 12 mei tot en met 4 september 1903.
 
Inhoud
1 Inleiding
2 De expeditie in Pulau Tengah
3 Einde van de expeditie
4 Bronnen, noten en/of referenties
Inleiding
Er werd een expeditie naar Korintji gezonden omdat daar verzet tegen het Nederlands-Indische gouvernement heerstte en de eisen van de regering niet werden nageleefd; men had bovendien Panggawa Marsa alias Iman Roesah van Pondok Kopi en Pemangkoe Sonah van Rasno, belast met het overbrengen van een brief van de resident van Benkoelen, vermoord en roof, moord en plundering waren aan de orde van de dag. Het bevel over de troepen werd opgedragen aan luitenant-kolonel der infanterie O.J.H. Bruijnis en als chef van de staf zou de kapitein van de Generale Staf H.L. Bense optreden; ter voorbereiding werd besloten om het verkeer tussen de landschappen Korintji en Serampas af te sluiten. Het artilleriepersoneel bestond uit eerste luitenant H. Cramwinckel, sectiecommandant, tevens commandant der expeditionaire artillerie, drie Europese sergeants, twee Europese korporaals en een inlandse korporaal (allen van de bergartillerie) en het materieel uit 1 sectie kanonnen van 7 cm. K.A., uitgerust als mobiel onbespannen geschut. Op 12 kartetsen na werd een gehele munitieuitrusting meegevoerd. De genie bedroeg 1 sectie onder commando van een kapitein; de intendance werd vertegenwoordigd door kapitein-intendant F.J.A. Molenaar; de geneeskundige dienst bestond uit de chef, officier van gezondheid eerste klasse Dr. W.C. Kersbergen, drie officieren van gezondheid en ziekenverplegers.
 
De expeditie in Pulau Tengah
De expeditie embarkeerde in etappes vanaf de 12de mei tot de 23ste juli te Emmahaven op gouvernementsstomers met bestemming Pasir-Ganting en bereikte die plaats dezelfde dag; de opmars langs de etappe-lijn Pasir-Ganting naar het oorlogsterrein duurde van 21 juli tot 1 augustus 1903 en voerde bijna geheel door een dal van de Tapan-rivier, bestaande uit een pad dat slechts voor voetgangers geschikt was; de rivier moest herhaaldelijk worden overgestoken en daarnaast heuvels van 50 tot 100 meter hoogte beklommen worden. Bij Hiang werd ernstige tegenstand ondervonden en ontstond er bij de nadering van de troepen een vuurgevecht, waarbij drie Europese militairen zwaargewond raakten. De achttiende juni rukten de troepen tegen Lolo, een kampong in de Tiga-hali Kain, op; deze kampong bood ernstige weerstand; een zwaar vuurgevecht volgde, waarbij een officier sneuvelde en een officier, negen Europeanen, zes inlanders en een dwangarbeider gewond raakten, maar uiteindelijk werd de kampong genomen; de troepen trokken nu verder naar Lempoer en werden onderweg nog beschoten, waardoor een Europese fuselier gewond raakte. 's Nachts, in het bivak, overleed nog een der gewonden aan de gevolgen. Later, bij aankomst in Rawang, bleek verder dat een Europese fuselier met een schot in de rug een totale verlamming van de onderste extremiteiten had (hij overleed op de 28ste juni aan de gevolgen), een andere Europese fuselier een schot in het bovenbeen en een verbrijzeld dijbeen had en een inlandse fuselier een schot in het onderbeen en een verbrijzeld scheenbeen had en waarbij later bloedvergiftiging optrad, waaraan hij overleed. De vierde juli rukte de troepenmacht op naar Poelau Pandan en Pengasi; bij het vuurgevecht bij Pengasi werd een Europese fuselier gewond en werd de kampong, zonder verdere gewonden, bezet.
 
 
De achttiende juli ging een infanterie-colonne met de beschikbare genietroepen naar Lempoer-Semerep met het doel de volgende dag kampong Poelau Tengah aan te vallen. Men marcheerde om half drie af en bereikte om half acht de vuurstelling; om kwart over 1 werd tot de aanval op Doesoen Baroe opgerukt; de zwaar versterkte benting werd tot driemaal toe bestormd maar het lukte niet om haar te nemen; de borstwering was dan ook 2 tot 3 meter hoog, bestond uit kaliestenen en was gemiddeld 70 cm. dik; hierop was een pagger van bamboe geplant en de buitenkant van de borstwering was van randjoes voorzien en in de wal waren bamboezen schietkokers aangebracht met daarvoor een ondiepe gracht. Een officier en drie Europese minderen waren gesneuveld; 1 Europese mindere overleed later aan verkregen wonden, een luitenant en 8 Europese minderen raakten gewond. De achtste augustus werd Poeloe Tengah weer aangevallen; na het voorbereiden van de storm door de artillerie werd hierop om kwart voor zes tot de aanval overgegaan en werd de vijand verdreven. De 27ste juli raakte men bij de versterkte kampong Batoe Poetih in gevecht en verloren de Nederlandse troepen een inlandse korporaal en werden een officier en 5 inlandse fuseliers gewond
 
De expeditiecommandant bepaalde dat niet tot de aanval op een sterk vijandelijk kampongcomplex zou worden overgegaan voordat de tweede munitieuitrusting der artillerie zou zijn aangekomen; de vierde augustus bereikte die het bivak. De beschikbare tijd werd benut voor het verkennen van het gevechtsterrein en gereedmaken van het materieel. De zesde augustus kwam de commmandant van de expeditie met zijn staf in het bivak aan en de zevende augustus werden de vijandelijke kampongs beschoten, waartoe een sectie, met een sterkte van 1 officier, 3 onderofficieren, 2 korporaals en 18 kanonniers uitrukte. De negende augustus werd het vuur geopend op Doesoen-Baroe en Poelau Tengah; er vielen 6 doden (drie Europeanen en drie inlanders); een gewonde overleed later aan bekomen wonden; en er vielen 47 gewonden (1 officier, 28 Europeanen, 1 Amboinees, 11 inlanders en 6 dwangarbeiders). De daarop volgende dag werd, bij het doorzoeken van een huis, een colonne overvallen, waarbij een officier sneuvelde onder klewanghouwen en waarbij 22 gewonden vielen (waaronder 3 Europese en 3 inlandse fuseliers); twee gewonden bezweken later nog aan de gevolgen van schoten in het hoofd (respectievelijk op de 18de en de 22ste augustus); een dwangarbeider, die door een vluchtende Korinjiër in de rug gestoken werd overleed ook aan de gevolgen (sceptische peritonitis).
 
Einde van de expeditie
De voorgenomen aanval op Poeloe-Tengah op de tiende augustus ging niet door omdat men zijn onderwerping kwam aanbieden. Op de 12de augustus werd afgemarcheerd naar Sandaran-Agoeng en op 4 september werd de expeditie ontboden; de zeventiende september scheepten de troepen zich weer in en keerden terug naar Emmahaven. Sandaran Agoeng zou de hoofdvestiging blijven met een bezetting van 225 minderen onder een kapitein en vier luitenants, waarvan kleine detachementen tijdelijk zouden worden uitgezonden naar de verschillende kampongs in de vallei van Korintji.
f t