Mauritz Kokkelink voorwoord boek Wij vochten in het bos


Voorwoord

Voor dit artikel is gesproken met Coen Robert Kokkelink, oudste zoon van Mauritz Christiaan Kokkelink. Coen Robert Kokkelink, werkzaam geweest in het bedrijfsleven en tegenwoordig actief als kunstschilder, is nog steeds zeer betrokken bij Nieuw-Guinea en zijn bewoners. U kunt via het formulier contact met hem opnemen.


Vroege periode

Vooroorlogse activiteiten op Nieuw-Guinea

Voorbereidende maatregelen

De strijd in het oerwoud

Overleven in het bos

De strijd intensiveert

De bevrijding

Nasleep van de oorlog

Terug naar Nieuw-Guinea

Na de oorlog


Vroege periode

Mauritz Christiaan Kokkelink (Ambawara, 17 juni 1913 - Matoury, 24 augustus 1995) groeide op Java op en trad op jeugdige leeftijd in dienst bij het KNIL. In deze tijd was hij voor het beroep van soldaat nog niet geschikt en na drie jaar besloot KokkUitzicht op de baai van Manokwarielink zijn loopbaan buiten het leger voort te zetten. Hij had enkele tijdelijke baantjes maar ontdekte toen dat veel pioniers naar Nieuw-Guinea gingen om aldaar een bestaan op te bouwen. Aldus nam Kokkelink in 1933 passage op een schip van de K.P.M en werd tijdens de reis nog bijna het ontbijt van een hongerige haai tijdens een zwempartijtje te Makassar.

Na een reis van veertien dagen bereikte de boot Manokwari en nam Kokkelink logies aan bij een lokale familie, zijn eerste kennismaking met een nieuw leven. Zijn gastheer vertelde hem dat de kolonie bestond uit 350 mensen, die door armoede gedwongen het land met de hand bewerkten en ook verder in kommervolle omstandigheden leefden.

Het land werd bestuurd door het gouvernement, in de persoon van een assistent-resident, met steun van een voornamelijk uit Indonesiërs bestaand detachement veldpolitie. In Momi, honderd kilometer ten zuiden van Manokwari aan de Geelvinkbaai gelegen, exploiteerde een Japanse maatschappij een zeer moderne katoenplantage. Japanners werden toen echter nog niet verdacht van kwalijke praktijken.

Vooroorlogse activiteiten op Nieuw-Guinea

Kokkelink vond werk bij een landbouwbedrijf  gelegen op zes kilometer afstand van Manokwari. Aldus begon zijn loopbaan als landbouwer in het district MangoapProtestantse kerk te Baboi, waar hij na zes jaar, met zes hectare van de firma, een eigen bedrijf opzette. In 1936 werd er voor het eerst een Europese militaire bezettingsmacht gevestigd en een luchtdienst met watervliegtuigen van de Koninklijke Nederlands-Indische Luchtvaartmaatschappij geopend.

Drie jaar later kwam een Japans Marine-opleidingsschip in de baai van Manokwari aan, waarvan het aan de bemanning werd toegestaan ongestoord strategische punten op te nemen en te beschrijven en bedrijven, waaronder dat van Kokkelink, te bezoeken. In de maanden die volgden teisterde een ongewone droogte Nieuw-Guinea en drongen de berichten over oorlogshandelingen tot het eiland door: de Duitse inval en de al snel volgende capitulatie van Nederland. Op regeringsbevel werden alle op Nieuw-Guinea aanwezige Duitsers opgepakt en naar Java overgebracht.

Voorbereidende maatregelen

De garnizoenscommandat, kapitein J.B.H. Willemsz Geeroms, riep alle dienstplichtigen, waaronder Kokkelink, onder de wapens (voornamelijk karabijn en klewang). Op 7 december 1941 vond de Japanse aanval op Pearl Harbour plaats en op 6 maart 1942 werd te Manokwari het nieuws van de capitulatie van Java vernomen. Nieuw-Guinea was vanaf nu op zichzelf aangewezen. Kokkelink werd weer fulltime soldaatHoyo Maru, na eerst zijn varkens vrijgelaten te hebben. In januari 1942 verscheen het eerste Japanse vliegtuig boven Manokwari  en vuurde op het militair kampement.

In snel tempo werden op bevel van kapitein Willemsz Geeroms nu loopgraven aangelegd en uitkijkposten geplaatst. Niet veel later kregen vrouwen en kinderen bevel naar Oransbari te evacuëren en vond er een tweede Japans bombardement plaats. Een week later ontving Willemsz Geeroms een radioboodschap, afkomstig van de Japanse commandant op het inmiddels veroverde Ternate, om de wapens neer te leggen en te capituleren. Hij besloot echter tot de guerilla-oorlog en schuilplaatsen te Wasirawi, Tjosi en Testega in te richten. 

In de vroege ochtend van zondag 12 april 1942 naderde een groot aantal  Japanse oorlogsschepen de kust van Nieuw-Guinea en trokken de manschappen onder leiding van Willemsz Geeroms het oerwoud in. Later hoorde men dat de commandant van de "Anna', Hans Herbert Moritz Fuhri, in allerijl de "Anna" in brand had gestoken; Fuhri werd door de Japanners zwaar gemarteld,  beide armen werden afgehakt, en nog later werd hij vermoord.

De strijd in het oerwoud

De troep van Willemsz Geeroms bestond in totaal uit 58 man, waaronder Kokkelink, sergeant-majoor Maas, fourier De Beaufort, sergeant Kapteyn, sergeant Van der Muur en 53 maHangbrugnschappen, verder nog uit de Timorese korporaal Mandala, drie minderen en zeventien dwangarbeiders. Kokkelink werd benoemd tot ordonnans van Willemsz Geeroms. Wel hadden de Japanners een sterkte patrouille achter de troep aangestuurd maar die was onverrichterzake teruggekeerd.

De eerste tocht leidde, onder meer over een zeer wankele hangbrug, naar Wasirawi, een kleine Papoeanederzetting aan de rivier de Wasirawi, waar eerder een der schuilposten was gebouwd. Aldaar ontving Willemsz Geeroms in mei 1942 een brief van een deserteur, sergeant Lampus,  geschreven in opdracht van de Japanse commandant in Manokwari, waarin werd gesteld de vijandelijkheden te staken en terug te keren naar Manokwari.

Kokkelink en een aantal manschappen spoorden Lampus in zijn kampement op en schoten hem en een aantal van zijn mededeserteurs dood. Men vernam dat de post Tjosi aan de Japanners verraden was en dat de vijand bezig was de inlandse bevolking tegen de Nederlanders op te zetten. Middels patrouilles trachtte commandant Willemsz Geeroms steeds van de stituatie op de hoogte te blijven; ook Kokkelink nam veelvuldig aan deze tochten deel.

Overleven in het bos

In Wariki ontmoetten Kokkelink en zijn manschappen een troep Amerikanen, die onderweg naar Australië door een Japans bombardement gedwongen waren geweest naar Nieuw-Guinea uit te wijken. Van hen hoorden zij dat inmiddels de post Tjosi door een sterke groep Japanners was overvallen; Willemsz Geeroms nam na het horen van dit nieuws maatregelen zodat zijn post te Wasirawi niet hetzelfde lot zou ondergaan. Bij terugkeer te Wariki, waar zich toen het nieuwe "hoofdkwartier" bevond,  na een lange patrouilletocht, hoorde KokkelinkPatrouille op zoek naar voedsel van Willemsz Geeroms dat de post Wasirawi door de Japanners was overvallen en een patrouille van vijf man in een hinderlaag was gelopen, waarbij allen gesneuveld waren.

Na een ellendige tocht, waarbij velen overleden door diverse oorzaken, waren de resterende manschappen, onder commando van Willemsz Geeroms, te Wariki aangekomen. Hier werd besloten naar de kust, waar meer voedsel zou zijn, te trekken. Nadat ook hier veel leden van de troep overleden aan diverse ziekten werd doorgereisd naar Wekari. Precies een jaar na de vlucht uit Manokwari, op 12 april 1942, bevorderde de commandant een aantal van de leden van de troep tot een hogere rang.

Bij een aanval op een Japanse post wist de groep van Kokkelink 26 Japanners te doden en geweren, revolvers, patronen en handgranaten buit te maken. Het bivak werd nu naar een plek dichter in het binnenland verplaatst, waar de Japanners al snel, als wraak voor de eerdere aanval op hun manschappen, een bombardement uitvoerden. 

De strijd intensiveert

Intussen werd Kokkelink weer op patrouille gestuurd. Hij en zijn manschappen werden bijna uitgehuwelijkt aan inlandse schonen, namen deel aan de rituelen der Papoea's en aanschouwden kannibalisme bij de Karonerstam.  Terug in het hoofdwartier bleek dat het met name slecht ging met kapitein Willemsz Geeroms. Nieuwjaarsdag 19Patrouille van manschappen244 werd Kokkelink bevorderd tot sergeant.

Op 18 april 1944, toen Kokkelink zich in zijn bivak te Aroepi bevond, hoorde hij dat Japanse troepen het hoofdbivak hadden bestormd, de inwoners meegenomen en verder alles in brand gestoken hadden. Van de oorspronkelijke troep was nu nog slechts 17 man in vrijheid. Later werd bekend dat Willemsz Geeroms en een groot aantal andere strijdmakkers waren onthoofd door de Japanners.

Kokkelink trok met zijn resterende manschappen in oostelijke richting en vond een geschikt bivak te Wesoei. Aldaar ontving hij een brief van zijn commandant in krijgsgevangenschap met de boodschap zich over te geven. Weer ging de troep op de vlucht en zocht en vond een veilige plek op een eilandje in een moeras. Aldaar ontving Kokkelink midden juli 1944 het bericht van de Amerikanen dat zij Hollandia, Biak en Noemfor hadden bezet en spoedig de troep zouden komen bevrijden.

De bevrijding

Kokkelink en zijn manschappen hadden  bij de vlucht uit Manokwari een Nederlandse vlag meegenomen. Toen er Amerikaanse vliegtuigen overvlogen hesen zij deze driekleur, waarop de troep met mitrailleurkogels werd belaagd; gelukkig werd niemand getroffen. Niet veel later kreeg Kokkelink een briefje in handen gestopt met daarop de tekst: "Wij in Australië zijn vol bewondering voor uw preKeller naast de kokkelinkvlagstaties. Ik heb de opdracht u en de uwen zo spoedig mogelijk naar het gastvrije Australië te evacueren. Luitenant-ter-zee derde klasse Abdul Rasak." Op 4 oktober 1944 vond uiteindelijk de ontmoeting met deze Sumatraanse luitenant-ter-zee en zijn makkers plaats.

Dit was de bevrijdingsdag van Kokkelink en zijn manschappen. Hun bevrijders waren door een Amerikaans vliegtuig bij kamp Andjai op de Kebar-hoogvlakte geparachuteerd met de opdracht de groep Kokkelink te lokaliseren. Zij werden meegenomen naar het Amerikaanse bivak en overgevlogen naar Sansapor, aan de noordwestkust van de Vogelkop, waar een grote Amerikaanse troepenmacht was geconcentreerd voor de invasie van de Philippijen.

Kapitein der KNIL Horsting zond Kokkelink en zijn makkers naar Hollandia, waar Kokkelink aan een streng verhoor door de NEFIS  werd onderworpen. Hij kreeg ook het verzoek van de voormalig commissaris der politie, nu werkzaam als liasonofficier, terug te keren naar de Vogelkop om daar de interneringskampen te gaan verkennen.

Nasleep van de oorlog

Vanaf Meoeswoendi maakten  Kokkelink en bestuursambtenaar De Kock een ontdekkingstocht langs de diverse kampen en ontdekten een kamp met veertig JapanneKokkelink op latere leeftijdrs, waarvan 34 neergeschoten werden. Dit bleken later echter Formosanen te zijn. Kokkelink en zijn metgezel lieten zich nu door een Amerikaans schip mee terug nemen naar Sansapor, waar zij werden voorgesteld aan majoor Spoor, de latere legercommandant, die hen naar nadere bijzonderheden van hun tocht vroeg.

Met een troep van in totaal 19 man voer Kokkelink naar Sidai om aldaar alle interneringskampen langs te lopen. Ter plekke werden de Japanse commandanten en bewakingspersoneel buiten gevecht gesteld en de gevangenen bevrijd. Zij gingen met boten van het Amerikaanse leger naar veiliger oorden, waar de noodzakelijke verzorging plaats kon vinden. Kokkelink werd nu, op voorstel van majoor Spoor, naar Australië gezonden, waar hij de legercommandaWillemsorde van Kokkelinknt, generaal Van Oyen, ontmoette en ontvangen werd door gouverneur-generaal Van Mook.

Terug naar Nieuw Guinea

Op zijn verzoek werd Kokkelink teruggezonden naar Nieuw-Guinea, waar hij tot taak kreeg een Japanse radarinstallatie op te sporen en een manneninterneringskamp aan de Prafi-rivier te vinden. Eerst trok hij door dit gebied en vervolgens ging hij naar Manokwari, waar hij, verkleeUiteiking MWOd als Papoea, de radarinstallatie ging zoeken. Later kon, dankzij Kokkelinks bevindingen, de juiste plek der installatie gebombardeerd worden.

Vervolgens werd hij weer naar Australië gebracht, waar de legercommandant hem mededeelde dat hij zou worden benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde. Kokkelink kreeg deze hoge dapperheidsonderscheiding uiteindelijk door Van Oyen uitgereikt in een Nederlands-Indisch legerkamp in Australië. De Militaire Willemsorde kreeg Kokkelink omdat hij en zijn troep gedurende 2 1/2 jaar onder onbeschrijfelijk moeilijke omstandigheden op Nieuw-Guinea de Japanners bestookt hadden; op het hoofd van Kokkelink was een prijs gezet van tienduizend gulden en de Japanners hadden een troepenmacht uitgezonden van 1.100 man om de troep te overmeesteren. Men had grote bewondering voor het feit dat Kokkelink, verzwakt en ondervoed, direct na zijn bevrijding opnieuw zijn diensten had aangeboden.

Kort na deze heugelijke gebeurtenis werd Kokkelink naar Noemfor overgeplaatst, dat van Japanners gezuiverd diende te worden. Japanners die werden aangetroffen kregen de kogel.  Terug in Brisbane werd de wapenstilstand afgekondigd; Kokkelink werd ingedeeld bij de Militaire Politie en kreeg als taak dronken militairen naar hun kampement te transporteren. Bij deze vervelende werkzaamheden kreeg hij hulp van bokskampioen Beb van Klaveren.

Na de oorlog

Eind 1945 werd Kokkelink met duizenden andere militairen ingescheept op K.P.M. schip Van Heutsz met bestemming Batavia. Aldaar nam hij deel aan de strijd en werd voor een korte periode naar Engeland gezonden, waar hij meeliep in de Victory Parade en op audiëntie gingKoen bij de Koningin. In april 1947 keerde hij terug naar Nieuw-Guinea, waar hij werd ingedeeld bij de gravendienst voor het opsporen van gesneuvelde militairen en in april 1948 werd hij gedemobiliseerd.

Kokkelink was inmiddels getrouwd. Zijn echtgenote had twee kinderen uit een eerder huwelijk en Kokkelink bevrijdde zijn dan toekomstige eSchilderij Nieuw Guineachtgenote en haar twee kinderen persoonlijk uit het Jappenkamp; tijdens de bezetting was zij door de Japanners gedwongen geweest toe te kijken hoe haar ouders onthoofd werden.

Een van de twee kinderen werd later vermoord door een krankzinnig geworden Timorees. Het gezin vestigde zich opnieuw te Nieuw-Guinea, waar Kokkelink een huis bouwde en in dienst trad bij Staatsbosbeheer. Zijn taak was onderzoek te doen naar de bodemgesteldheid.

In de jaren zestig, vlak voor de overdracht, vertrok het gezin naar Nederland, waar Kokkelink zich in diende te schrijven bij het arbeidsbureau. Aldaar werd hij door het personeel tot op het bot beledigd toen die hem voorstelde toiletten te gaan schoonmaken. Het gezin, inmiddels uitgebreid met drie zonen, vestigde zich eerst te Den Haag en vervolgens te Breda. In 1965-1966 emigreerden Kokkelink en zijn gezin naar Suriname, waar Kokkelink actief werd bij de firma Bruynzeel. 

Na de onafhankelijkheid van Suriname gingen Kokkelink en zijn echtgenote in Frans Guyana wonen, waar hij in augustus 1995 overleed.

Zie ook


[Terug]

 

 

 

 

 

 

 

 

f t