70754 620 438


Poncke Princen vergeleek zichzelf in een interview met Thomas Edward "Lawrence of Arabia" Lawrence.  Een foto waarop Princen stond afgebeeld met een Arabische hoofddoek en band diende die vermeende gelijkenis te bevestigen. Princen's  levensmotto was: "Er zijn geen waarden in het leven die groter zijn dan het leven zelf" (vrij naar Mahatma Gandi).


Jeugdjaren

Het Seminatie in Weert

Onderweg naar de volwassenheid

Reis naar Maastricht

In Duitse gevangenschap

Periode vlak na de oorlog

Naar de Oost

Nieuwe insubordinaties

Veroordeling wegens desertie

Beslissing om te deserteren

De desertie

In actie met de Indonesische troepen

Overvallen onder de dekmantel van Nederlandse eenheid

Andere "heldendaden" van Princen

Drama te Lampegan

Vele doden aan Nederlandse kant

Latere leven

Eerherstel voor de "vrijheidsstrijder" Princen

Tot slot

Zie ook


Jeugdjaren

Johan Cornelis (Jan) Princen (Den Haag, 21 november 1925 - Jakarta, 21 februari 2002) werd geboren in de Haagse Schilderswijk, als zoon van een meubelmaker, later tekenleraar. Zijn overgrootvader was de bekende deserteur uit het boek "DorPrincen op de lagere school2p aan de Maas" van Anton Coolen, Kil de Kuiper.  De verstandhouding met zijn ouders was matig. In "Een kwestie van kiezen" schreef hij over zijn moeder: "Mijn moeder verstond de kunst de rust en de sfeer altijd grondig te verpesten." Mevrouw Princen zelf zei over haar zoontje: "Jan liegt alles bij elkaar", iets dat Princen zelf "slechts fantaseren" noemde.

De woordenwisselingen tussen de ouders van Princen eindigden meestal met een paar rake klappen die Princen sr. aan zijn echtgenote uitdeelde, waarna zij huilend tot bedaren kwam. Mevrouw Princen had zich in haar jonge jaren aangesloten bij de jonge socialisten en schreef in die tijd twee niet-gepubliceerde boeken, waarin aanklachten stonden tegen de gegoede burgerij en de kerk. Princen junior verzuimde al vroeg de lessen op school omdat hij last had van astma-aanvallen.

Om de vele echtelijke ruzies van zijn ouders te ontvluchten meldde Princen zich, toen hij op die leeftijd kwam, aan bij het Kleinseminarie in Weert, waar hij, naar hij zei, het hoogste wilde bereiken, namelijk de Heiligheid.

Het Seminatie in Weert

Princen wilde, naast dit verheven doel,  ook de priesteropleiding volgen omdat hij zo, naar hij zei, zijn "dominerende inslag kon bevredigen en zich af kon zetten tegen de atheïstische levenswijze van zijn ouders". In de zomer van 1939 deed hij zijn eerste Heilige Communie,  om op 4 september 1939 het gebouw van het Seminarie in Weert te betreden, waar hij in de grote slaapzaal een bed toegewezen kreeg.

Tussen de boerenjongens uit het zuiden van Nederland viel Princen nogal op, maar hij was, om er bij te horen, "zelfs bereid om van zijn voetstuk te stappen en zich nederig op te stellen om vrienden te maken". Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en de bommenwerpers in de nacht van de tiende mei 1940 laag over Weert scheerden verdrong Princen zich, samen met de andere jongens, "bezeten van angst", voor de ramen van de slaapzaal.   Hij besloot, na de capitulatie, samen met een vriend naar Frankrijk te gaan, maar de twee keerden, na op een opgeblazen brug gestuit te zijn, onverrichterzake terug naar het Seminarie.

Daar werden de jongens voor hun uitstapje door de pater gestraft, zodanig dat Princen het zijn verdiende loon vond dat deze man later door de Duitsers als gijzelaar in Sint-Michielsgestel gevangen werd gehouden. Princen had het vaker met de priesters aan de stok, bijvoorbeeld omdat hij geen ondergoed wilde dragen. Na een nieuw conflict met de leiding weigerde Princen verder de lessen te volgen en liet zich door zijn vader van de school ophalen. 

Onderweg naar de volwassenheid

Aldus keerde Princen terug naar Den Haag, waar hij de avondschool volgde ter voorbereiding op het Staatsexamen. Overdag werkte hij als stenciljongen bij een Economisch Adviesbureau.  Zelf schreef hij over deze periode: "Ik was zeventien, had nog nooit geneukt en wilde op eigen benen staan. Als ik na mijn werk langs het Malieveld liep en de Duitse soldaten zag marcheren met klepperende laarzen dan werd ik overspoeld door bewondering en afgunst."

Omdat Princen thuis weekgeld moest betalen kon hij zijn diepste wens niet in vervulling doen gaan: die was een bezoekje brengen aan de hoerenbuurt, "waar de dames voor het uitzoeken waren".  Door de hoornen kam van zijn moeder te stelen en die bij wijze van wisselgeld aan de dame van zijn keuze ("ze was wulps, blond en had enorme tieten") aan te bieden kon Princen zijn maagdelijke status tot zijn genoegen eindelijk verwisselen voor een in zijn ogen meer volwassen positie.

Reis naar Maastricht

Toen Princen niet direct reageerde op een oproep van de Arbeidsdienst, hij had deze weggegooid, werd hij door twee militaire politiemannen opgepikt bij een tramhalte en naar het keuringsgebouw gebracht, van waar hij met een Poncke Hajji Princenwaarschuwing naar huis werd gestuurd. Inmiddels vond hij het de hoogste tijd om op eigen benen te gaan staan: "ik had er genoeg van om  naar de pijpen van anderen te dansen". Princen besloot om zich aan te sluiten bij de Geallieerde troepen en kocht een enkele reis naar Maastricht: "Het zware gehijg van de trein werkte op mijn vrijheidsdrang als drugs op een junkie".

Bij de Belgische grens liep Princen in de armen van een patrouille van de Feldgendarmerie. Om te bewijzen hoe dapper hij was zei hij niet, zoals hem eerder door een bevriende relatie was aanbevolen, dat hij shag in België wilde kopen, maar dat hij zich wilde aansluiten bij het geallieerde leger. Hij werd aldus opgepakt en ondergebracht in een cel van de Sicherheitspolizei in Maastricht. Die winter bracht hij door in een Duitse cel wegens het bevoordelen van de vijand.

In Duitse gevangenschap

Die cel deelde Princen met priesters, verzetsmensen en kleine misdadigers. Met name die laatsten oefenden op hem een grote aantrekkingskracht uit: "vooral wanneer ze elkaar de loef afstaken met sterkte verhalen over steekpartijen, achtervolgingen en vrouwen van plezier." Princen werd op transport gesteld naar Vught, waar hij in een barak voor polieke gevangenen terecht kwam, waar hij de bijnaam Poncke verwierf, naar het boek van Jan Eekhout, Pastoor Poncke, dat hij daar las.  Uiteindelijk moest hij voorkomen bij het Gerechtshof in Utrecht.

Princen trok tijdens de zitting een korte broek aan zodat hij jonger leek en zijn acties kon afwentelen op jeugdige onbezonnenheid. Hij werd veroordeeld tot anderhalf jaar tuchthuis en via Kamp Amersfoort overgebracht naar Essen en uiteindelijk Bochum, waar hij in een metaalfabriek en de loopgraven moest werken. Na de bevrijding keerde Princen terug naar Helmond en meldde zich eerst bij de Stoottroepen in Eindhoven en later bij het Bureau Nationale Veiligheid dat,  ironisch in dit geval, jacht maakte op landverraders. Zijn motieven om toe te treden waren niet uitsluitend idealistisch: "een vrijheidsstrijder met verlof, de straatfeesten, sigaretten en zwierige rokken hadden een ongegeneerd stimulerend effect op mijn libido. Ik wilde seks."

Periode vlak na de oorlog

Princen werd eind 1945 gedemobiliseerd, huurde een kamer in Scheveningen en kreeg werk als adjunct-commies bij de Economische Controle Dienst. In maart 1946 werd hij opgeroepen voor de militaire dienst, ingedeeld bij de Eerste Hulpverbandplaatsafdeling en belast met administratiePrincen in strafkampve werkzaamheden. Toen de oproep om naar Nederlands-Indië te vertrekken kwam besloot Princen te deserteren en samen met zijn vriendin Jopie naar Frankrijk te vluchten. Onderweg overnachtten zij in de open lucht nabij een stadje in België omdat "Jopie in Gods vrije natuur geen oog dicht kon doen. Het kan ook zijn dat ze voortdurend dacht dat ik haar aan wilde randen."

Eenmaal in Parijs aangekomen zond Princen Jopie terug naar Nederland en trok zelf verder door Frankrijk. Hij voorzag in zijn levensonderhoud door allerlei karweitjes aan te nemen. Op de weg terug naar Nederland werd hij gearresteerd en naar de gevangenis in Breda gebracht. Van hier werd Princen doorgezonden naar Schoonhoven, waar hij alsnog opgeleid zou worden voor de dienst in Indië. Aldaar werd hij geplaatst in een lichting dienstplichtigen waarvan 15 procent niet op was komen dagen, iets waar de nieuwe recruten veel plezier om hadden. Omdat Princen geen zin had jaren in een strafkamp door te brengen deserteerde hij niet opnieuw maar ging akkoord met uitzending.

Naar de Oost

Princen gebruikte het inschepingsverlof echter om alsnog afgekeurd te worden, ditmaal wegens bronchitis en nerveuze spanningen, maar deze redenen werden niet geaccepteerd. Aan boord raakte Princen bevriend met Piet van Staveren, een communist, die vastbesloten was om, zodra hij de wal bereik had, te deserteren en Princen had hetzelfde doel.  In januari 1947 kwam hij te Tandjong Priok aan en werd ingedeeld bij de Eerste Hulpverbandplaats, Afdeling der 7 December Divisie. Aldaar had hij zijn eerste homoseksuele ervaring met een kameraad die "opgegeild door de tropische warmte het liefdesspel wilde bedrijven."

Intussen was zijn vriend Van Staveren overgelopen naar de vijand. Hij werd later door twee Indonesische officieren in ruil voor een koppel geiten aan de Nederlandse autoriteiten overgeleverd. De instelling van Princen was intussen: "ik voelde mij in die tijd meer een Robin Hood figuur die graag soldaatje speelde dan filosoof. Pas nadat ik mij bij de guerrilla's had aangesloten kon ik naar hartenlust gaan knallen."

Nieuwe insubordinaties

Nadat Princen opgepakt was wegens het niet dragen van een hoofddeksel en er proces verbaal werd opgemaakt schreeuwde hij: "Moeten ze mij hebben, dPrincen in plantentuinat stelletje hufters. Het leger zit vol lullen en de grootste is generaal Kruls!" Omdat de dienstdoende tweede luitenant dit hoorde leverde het akkefietje Princen veertien dagen streng arrest op. Na deze straf werd hij overgeplaats naar de Prinses Irenebrigade, waar de wacht een Indisch meisje, dat van school was thuisgebleven, voor hem regelde: "Een hele nacht ongecompliceerd de liefde bedrijven. Wat een traktatie!"

In deze tijd volgde Princen twee zelfgeformuleerde regels: "Iedere mazzel direct aangrijpen want gegarandeerd dat er om de volgende hoek iemand probeert je een kunstje te flikken en na een naaipartij de handel goed insmeren met teerzalf." Hij volgde indertijd de opleiding tot hulpchauffeur, reed met de medechauffeurs door Bogor en flirtte met de meisjes. "Verder voerde ik niets uit. Als ik geen dienst had ging ik in de zon liggen of leerde Indonesisch."  Vaker zocht en kreeg hij, bijvoorbeeld in ruil voor een blikje corned beef, seks van inlandse  meisjes. Zijn "relaties" met inlandse vrouwen leidden uiteindelijk tot deportatie naar een strafkamp bij Poentjak, waar hij tot taak de Indonesische politie op te leiden kreeg.

Veroordeling wegens desertie

Eenmaal terug in Buitenzorg werd bekend dat de Eerste Politionele Actie op  handen was. Rond Bogor vond hergroepering der troepen plaats en op 20 juli 1947 werd opgerukt naar Soekaboemi, waar Princen toezicht moest gaan houden op het inlandse personeel. In september kreeg hij een aanzegging van de Krijgsraad vanwege zijn desertie in 1946 maar ook door rapporten over ondisciplinair gedrag. Tijdens zijn verdediging beriep Princen zich in een lange monoloog op Multatuli  en diens toespraak voor de hoofden van Labak, waarop de rechter hem terecht wees met de woorden dat het Hooggerechtshof geen parlement was.

Op 22 oktober 1947 werd Princen, wegens desertie waarbij de schuldige zich naar het buitenland  had verwijderd, in tijden van oorlog, tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk, en een proeftijd van een jaar veroordeeld en naar de Tjipinang-gevangenis te Batavia gezonden. Na enige maanden werd hij overgebracht naar Pontjol bij Tjimahi, waar Princen de resterende tijd uitzat. Hij kwam op 19 februari 1948 vrij en werd toen overgeplaatst naar Poerwakarta, Tweede Infanteriebrigade van de Zeven December Divisie, waar hij kapitein de Wijk mocht assisteren bij de inkoop van proviand. In deze tijd ontmoette Princen de schrijver Dolf Verspoor, die hem bij Indonesische republikeinen te Djakarta introduceerde.

Beslissing om te deserteren

Op 25 september 1948 bracht Princen samen met kapitein De Wijk het weekende door in Soekaboemi.  Hij vroeg toestemming een dag later naar Poerwakarta terug te gaan maar deserteerde kort hierop. Een van de redenen van zijn desertie was dat hij te lang bij een vrouw was gebleven, waardoor hij zijn geoorloofde afwezigheidstijd overschreden had.  Indien hij teruggekeerd zou zijn naar zijn onderdeel dan had hij de resterende acht maanden van zijn voorwaardelijke celtraf voor onttrekking aan de dienstplicht alsnog moeten uitzitten.

De uiteindelijke keuze voor desertie was gebaseerd op een luciferdoosje dat Princen opgooide: indien de gele zijde bovenkwam zou hij deserteren. Wiecher Hulst, die later veel over Princen publiceerde, noemde hem "een aartsopportunist. Iemand die de ideologische verantwoording voor zijn daden er later zelf bij bedacht." Princen liet zich aldus door een chauffeur naar Batavia rijden en zei tegen hem: "De groeten. Mij zie je nooit meer terug". Toen de chauffeur, Geert Verbeek, later hoorde dat Princen onderweg was om zich aan te sluiten bij de vijand was zijn reactie: "ik had een heel magazijn kogels op die klootzak moeten afvuren. Hardstikke dood had ik hem moeten schieten!"

De desertie

Vanuit Batavia reisde Princen naar Semarang en vanaf hier samen met een gids, die hij zijn Lee Enfield toevertrouwde, over de demarcatielijn naar vijandelijk gebied. Hij werd door de republikeinen meegenomen naar een commandant te Koedoes, waar hij verhoord werd. Doordat er net een door comPrincen in de jaren vijftigmunisten geleide opstand tegen de regering van Soerkarno plaats vond en er chaos  heerste werd Princen in eerste instantie in de gevangenis te Pati vastgezet. In oktober 1948 werd hij overgebracht naar het republikeins regeringscentrum in Djokjakarta, waar hij werd verhoord en opnieuw in een cel verdween. Hij wist echter na een tijdje het vertrouwen van TNI-majoor Kemal Idris te winnen.

Inmiddels was de Tweede Politionele Actie in volle gang. Princen reisde met Idris mee naar Bandaran, waar hij de chef-staf van het republikeinse leger, kolonel Simatoepang, ontmoette. Tijdens de tocht met de Stiliwang-divisie werd Princen naar hij zei "een ware Indonesiër". De reis duurde twee maanden en intussen besprak hij "de hoogmoed en arrogantie van de Nederlanders" met een groep officieren waar hij veel mee omging.

Trots was Princen toen bleek dat tijdens het baden de lokale bevolking razend benieuwd was naar de maat van zijn penis. De grootte daarvan werd, zo vertelde Princen later, als een even goede indicatie van macht en potentie gezien als een tot de rand gevulde beurs. De inlandse vrouwen gluurden dan ook, volgens Princen,  begerig tussen de bosjes door om een glimp van dit edele deel op te vangen als hij zich schoonspoelde.

In actie met de Indonesische troepen

Eind februari 1949 bereikten Princen en zijn metgezellen een positie vlakbij Bandoeng. Princen kreeg opdracht een boodschap aan Minister Leimena over te brengen maar werd onderweg opgepakt door een Nederlandse patrouille. Toen hij ondervraagd werd door de commandant zei hij dat hij in opdracht van kapitein De Wijk onderweg was. De commandant vertrouwde dit niet maar de telefoon weigerde op dit cruciale moment dienst. Omdat Princen's naam niet op de lijst van verdachte personen stond moest de commandant hem laten gaan, waarna Princen terugkeerde naar de Indonesische troepen te Soekaboemi.

Vandaar ging hij naar Tjipriangan, waar hij zich meldde bij de commandant van de eerste compagnie van het tweede bataljon van de vierde infanteriebrigade van de derde Silwangdivisie. Princen werd ingedeeld bij de Pembela Masjarakat, een Islamitische gevechtseenheid; zijn belangrijkste doel was nu "mijzelf inkomsten en aanzien te verschaffen. Mijn huidskleur bood voordelen die de anderen niet hadden en ik wilde daar handig gebruik van gaan maken." Hij was op dat moment van plan zich voor Nederlander uit te geven en wapens te gaan veroveren.

Overvallen onder de dekmantel van Nederlandse eenheid

Princen kreeg tien man, gekleed in groene uniformen, die een beetje Hollands leken, mee en de opdracht de bewakingsmensen van een Chinese textielfabriek te overvallen (28 Poncktjemaart 1949). Hij liep met twee man op de wachtposten af en zei dat er een inspectie was begonnen.  De man op wacht, denkend dat Princen een Nederlands soldaat was, gaf opdracht tot aantreden, waarop de mannen van Princen iedereen ontwapenden. In totaal werden op deze wijze 17 mausergeweren buitgemaakt. Een volgende aanval was op een politiepost te Baros. Weer deed Princen voorkomen alsof Nederlandse manschappen een inspectie hielden en opnieuw gelukte de actie.

Princen vormde, nu hij wapens genoeg had, een speciale gevechtseenheid, de Pasoekan Istimevi, die het basiskamp op de Goenoeng Gedeh had. De troep bestond uit ongeveer 75 man en beschikte over twee brens, automatische - en semi-automatische wapens, geweren en karabijnen.  Met deze eenheid deed hij een aanval op een politiebureau, waarbij meer dan veertig personen gevangen werden genomen. Bij een overval op een trein schoot Princen een Nederlandse politieman dood.

Tijdens de diverse acties onder leiding van Princen vielen sowieso veel doden onder de Nederlandse soldaten. Wat dat betreft schreef hij later: "de guerrilla-acties werkten verslavend. Ik wilde in vredesnaam niet nadenken, daar ondergroef ik mijn strijdvaardigheid mee."

Princen begreep dat er, wat de republikeinse politiek betreft, doortastende figuren uit de directe omgeving nodig waren om het geloof in de woorden van Soekarno en Hatta te ondersteunen. "Ik vleide mijzelf met de gedachte dat ook ik een steentje bijdroeg tot dit bewustwordingsproces. Het feit dat ik blank was en voor hen vocht moet toch inspirerend hebben gewerkt". Over de Nederlandse soldaten die hij met zijn Schmeisser junglekarabijn neerschoot zei hij: "of mijn geweer gewerkt heeft weten alleen diegenen die door mij geraakt zijn."

Andere "heldendaden" van Princen

Princen trouwde in het voorjaar van 1949; voor dit huwelijk werd hij Islamiet; hij had hier weinig problemen mee want dit behoorde zijns inziens tot dePoncke rincen aanpassingen aan zijn huidige milieu en kon leiden tot een beter wederzijds begrip en vertrouwen in zijn groep. Twee jongens die de positie van Princen doorgegeven hadden aan de Nederlandse autoriteiten werden opgepakt en doodgeschoten. De NEFIS wist inmiddels van het bestaan van deserteur en overloper Princen maar het gelukte niet hem gevangen te nemen.

Op 28 februari 1949 kregen Princen en zijn troep acht Nederlandse militairen  te pakken; Princen gaf orders hen direct de nek af te snijden. Op 19 juni werd een trein in de omgeving van Soekaboemi aangevallen, waarbij de commandant politiebewaking werd ontvoerd en twee manschappen van het treinpersoneel zwaar gewond raakten. Toen men hem later vroeg of hij spijt had dat hij landgenoten had gedood zei Princen: "Ja, hoewel ik er niet wakker van gelegen heb."

Drama te Lampegan

Op 17 juni 1949 verschenen op de onderneming Hardjasari (Lampegan) plotseling acht gewapende mannen, onder commando van een blanke, voorPrincen vage foto de Chinese administrateur van deze onderneming, Kwee Tjong Jong. De  blanke was gekleed in een witte singlet en een korte grijs-groene broek en droeg een bivakpet van de Koninklijke Landmacht. Hij was gewapend met een tommygun. De andere personen waren Indonesiërs, gekleed in uniformen van het KNIL. De blanke gaf voor de ondernemingspolitie te willen inspecteren maar de administrateur vertrouwde zijn optreden niet en reed, na een van de manschappen van de politie gewaarschuwd te hebben, naar Lampegan om de militaire commandant te verwittigen.

Terwijl Princen, de blanke man, de ondernemingspolitie voor zich liet exerceren openden hij en zijn manschappen plotseling het vuur op de niets vermoedende politieagenten. Zes van hen werden gedood, van de twee anderen, die ontvoerd werden, vernam men nimmer meer iets. Voordat hij en zijn manschappen uitrukten toonde de militair commandant van Lampegan de administrateur een kleine foto. In de lachende man op het plaatje herkende de administrateur de blanke militair die zijn kantoor binnen was gedrongen.  Die lachende man was Poncke Princen. 

Gedurende langere tijd lokte Princen, in een Nederlands uniform gestoken,  militairen van de Koninklijke Landmacht in de val. Hij deed zich voor als lifter en wanneer een militair voertuig stopte bedreigde hij de inzittenden,  liet hen hun eigen graf graven en gaf zijn manschappen orders hen te vermoorden.De auto's en wapens werden vervolgens tot oorlogsbuit verklaard.

Vele doden aan Nederlandse kant

Eind juni 1949 pleegde Princen een overval op het station Gandasoli. Hij stuurde een jongen van twaalf jaar naar de commandant van de treinpolitie met een briefje: "Merdeka, hierbij doen wij  u weten dat u reeds door drie secties van onze troep bent ingesloten. Opdat u met uw manschappen en passaddd 011005275 mpeg21 p001 imagegiers ongehinderd kunt doorgaan moet u met opgestoken handen de wagens verlaten - wg. J.C. Princen, Moh. Jusuf en vaandrig Rachman".

De treinpolitie weigerde hierop in te gaan en opende het vuur, waardoor de overval mislukte; het was een van de weinige overvallen, waar Princen bij betrokken was, waarbij geen doden aan Nederlandse zijde vielen. Meestal gebruikte hij bij zijn overvallen, waarbij vrijwel altijd wel enige levens te betreuren waren, het voorwendsel dat hij in opdracht van de commandant van de dichtsbijzijnde post de wapens moest inspecteren.

Op 9 augustus 1949 trachtte de gevechtspatrouille Eric (onder kapitein Raymond Westerling, met kapitein T.E. Spier en luitenant J.H.C. Ulrici),  het hoofdkwartier van Princen aan te vallen. Deze wist echter te ontsnappen maar raakte gewond aan zijn voet. Wel werd zijn dagboek buitgemaakt. Hierin trof men een wonderlijke verzameling van verslagen van diens verraderlijke overvallen, direct daarop gevolgd door pornografie en gedichten. Dit dagboek werd ingeleverd bij de Staf Territoriale Commandant West Java maar verdween later op mysterieuze wijze.

Princen zelf schreef op 12 oktober 1949 in een brief aan zijn ouders: "Ik heb een volmaakt gedicht geschreven, namelijk dat van mijn eigen leven. Ik heb volledig geleefd, voor de volle honderd procent." Hij werd bij verstek door de Nederlandse autoriteiten ter dood veroordeeld.

Latere leven

Princen bleef na de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 in Indonesië achter en nam de Indonesische nationaliteit aan. Hij was gedurende enige tijd lid van het Parlement maar werd kort hierop voor twee jaar naar de gevangenis gestuurd. Na een volgende periode in de gevangenis (1962)  werd hij benoemd tot voorzitter van het Indonesisch Instituut voor de Verdediging van de Mensenrechten.

Toen Princen in 1999 werd geïnterviewd zei hij dat hij een nuttige rol had gespeeld in de strijd. Op de vraag hoe hij het zou vinden om president van Indonesië te worden was zijn antwoord dat hij dacht dat hij een hele goede zou zijn. Na zijn dood zei een belijdend lid van de Islam: "22 februari 2002  (22 - 2 - 2002): dat zijn heilige cijfers in de Islam. Princen zit nu aan de rechterzijde van Allah".

Eerherstel voor de "vrijheidsstrijder" Princen

In de loop der jaren zijn diverse pogingen ondernomen om Princen eerherstel te verlenen. Overigens zonder dat de AVRO dit wist was Princen gedurende enige tijd in 1971, onder de naam Johan de Koning, correspondent voor deze omroep. Niet lan11752579 1678708069026493 5360458476056034941 ng hierna werd Princen door de NCRV, eveneens in de functie van van correspondent,  aangenomen.

Volgens de voorzitter van de NCRV, dominee J. Ozinga, "was wat Princen gedaan had verjaard." Al in 1974 zag de Nederlandse regering in eerste instantie geen belemmeringen Princen een bezoek aan Nederland te weigeren. In deze tijd werd hij door Herman Wigbold, die zich eerder had opgewonden over de "Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië",  tot correspondent benoemd van Het Vrije Volk. In 1991 brachten diverse Kamerleden, waaronder de dames J. Verspaget en R. Beckers, in navolging van Minister J. Pronk,  een bezoek aan Princen, die zij als een vrijheidsstrijder aanmerkten.

De Indonesische Minister Sudomo verklaarde, naar aanleiding van deze Nederlandse bezoekjes, dat Princen als overloper nuttig was geweest maar dat hij niet op een voetstuk gezet diende te worden.

Tot slot

In 1993 betuigde Minister Kooijmans nog zijn respect voor Princen (als mensenrechtenactivist). Het jaar daarop kreeg Princen, op humanitaire gronden, een visum om de feestdagen bij zijn familie te kunnen doorbrengen. Anno 2015 ligt de autobiografie van Princen tijdens de expositie "Oorlog" op het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek fier bovenop de stapel boeken over de Politionele Acties.

In die zin heeft Princen, in ieder geval op Bronbeek, maar ook van zijn vele bewonderaars, waaronder politici, wetenschappers en anderen, eerherstel gekregen.  Dezelfde bewonderaars die niet ophouden onze Nederlandse militairen als "oorlogsmisdadigers" te veroordelen. Onze jongens, die in opdracht van de regering trachtten orde en vrede in de Oost te herstellen.  De bewonderaars van Princen schromen zelfs niet hun held, een verzetsstrijder zoals zij Princen noemen, op een voetstuk gefundeerd op het bloed en de graven van onze gesneuvelde jongens  te plaatsen. Ere wie ere toekomt.

Zie ook

  • 1995. P. Princen. Een kwestie van kiezen. BZZtoh. Den Haag
  • 1995. De Princenjagers. De Groene Amsterdammer
  • 2009. Arnold Karstens. Rebellen met een reden. J.M. Meulenhoff. Amsterdam
  • 2012. Poncke Princen (Arend Steenbergen).  De witte guerrilla. Lenthe Publishers (boek over een eventuele speelfilm over Princen)

 


 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

f t