uuulricichristoffol 8


Begin loopbaan

Depot Speciale Troepen (DST)

Korps Speciale Troepen (KST)

Interne strubbelingen

"Compagnie Eric"

Decoraties

Latere loopbaan

Vrijwilligerskorps voor Vietnam

Kwestie moord op de vaandrig Aernout

Latere verwikkelingen

Geen onderscheiding voor Westerling

Uitspraken van Ulrici 


 Begin loopbaan

Johan Heinrich Christoffel (Henk) Ulrici (Bussum, 20 december 1921 - Mallorca, 29 januari 2005) was de zoon van Johan Ulrici en Johanna Alida Wester. Hij hadVilla Schwerin vier zussen en een broer.en groeide met hen op in de Schwerin-villa in Bussum. Tijdens de Tweede Wereldoorlog saboteerde Ulrici de Duitse oorlogsinzet door het opblazen van spoorlijnen in het Gooi en bij Amersfoort.

Hij liet verder onder meer een seinhuis met telexapparaten van de Gestapo en de SD in de lucht vliegen en maakte, onder de schuilnaam "Eric", in de rang van reserve-tweede luitenant, deel uit van de K.P. (knokploegen) in Amersfoort (onder de naam verzetsgroep Erica).

Ulrici werd uiteindelijk opgepakt en door de Duitsers in Kamp Amersfoort vastgezet.

Na de oorlog leidde men Ulrici in Engeland op tot commando-parachutist, waarna hij als vrijwilliger naar Nederlands-Indië vertrok. Later gaf hij als reden hiervoor op dat zijn zuster in een jappenkamp had gezeten.

Depot Speciale Troepen (DST)

Ulrici werd bij Koninklijk Besluit van 1 februari 1947 nummer 55,  te rekenen vanaf 1 januari 1947, bij het wapen der infanterie benoemd tot reserve-tweede-luitenant en datzelfde jaar nog ingedeeld bij het Depot Speciale Troepen. Met het oog op de verdere versterking kreeg deze eenheid op dat moment een nieuw en ruimer kamp ,gelegen op enkele kilometers ten oosten van Batavia en niet ver van de postweg Batavia-Bandoeng,  toegewezen.

Voor de oorlog had op deze vrij eenzaam gelegen locatie een rubberonderneming van schoenfabrikant Bata gestaan met de toepasselijke naam Kalibata.

Het nieuwe kampement werd zo goed mogelijk ingericht voor de komst van de Celebesgangers. Ulrici werd enkele weken na aankomst in het nieuwe kamp toegevoegd aan de manschappen. De houding van Ulrici tegenover de andere officieren bleek echter geen succes. Vooral het feit dat hij niet aan de commando-opleiding wilde deelnemen sprak niet in zijn voordeel. Dit was dan ook een doorn in het oog van zijn instructeurs en van commandant, kapitein Raymond Westerling. Westerling gaf aan dat een commando-opleiding geheel vrijwillig was, maar dat wie deze training niet had gevolgd geen groene baret kreeg.

Korps Speciale Troepen (KST)

Op 5 januari 1948 werd het Korps Speciale Troepen en het Depot Opleidingen van het Korps opgericht, beiden onder leiding van kapitein Westerling. Het Korps bleef in Batoedjadjar, het nieuwe Depot werd gelegerd te PoWesterling en troep op Javaerabaja (bij Padalarang). Ulrici werd  nu benoemd tot luitenant-adjudant van Westerling. Op 4 februari 1948 volgde hij luitenant Dresens op als commandant van het Depot Opleidingen.

Na het vertrek van Westerling, eind 1948, werd luitenant-kolonel A.M. Van Beek persoonlijk door generaal Spoor aangesteld om het Korps Speciale Troepen om te vormen tot een eenheid voor de luchtlandingacties op Djocja. Het algemene niveau van het korps moest aldus in zijn ogen omhoog. Onmiddellijk na diens aantreden begon Van Beek aan zijn zuiveringsactie. Militairen (zowel officieren als manschappen) die hij tot de inner circle van Westerling rekende werden nog voor de Tweede Politionele Aktie uit het korps verwijderd.

Dat waren er heel wat, wanneer men zich realiseert dat er een hele "Compagnie Eric" uit samengesteld kon worden, inclusief de commandant van die nieuwe compagnie Eric, eerste luitenant Ulrici. Tegelijk trok hij een aantal dynamische en vechtlustige officieren aan waaronder C.L. Trieling, J.C.A. Faber en Nix, die op dat moment de groene baret kregen uitgereikt, hoewel zij geen commando opleiding hadden gevolgd.

Interne strubbelingen

Toen Van Beek in oktober 1948 bij het korps arriveerde vond hij in Ulrici van meet af aan een felle tegenstander. Ulrici protesteerde met klem tegen de aanstelling van officieren door Van Beek,  die wel een groene baret gingen dragen mauuulricichristoffol 1ar geen commando opleiding hadden gevolgd en evenmin bereid waren die bij het Depot Opleidingen van Ulrici te gaan doen. Maar ook zonder protesten had hij vermoedelijk het veld moeten ruimen.

Van Beek liet Ulrici echter tot na de Tweede Politionele Actie ongemoeid omdat hij tijdens de acties niet gemist kon worden. Ulrici onderscheidde zich nu als lid van het Korps Speciale Troepen bij de luchtlandingsoperaties rond Jogjakarta en op Sumatra in december 1948, maar na afloop ervan werd hij alsnog direct door Van Beek uit het Korps verwijderd.

Kort hierop kondigde Van Beek op 23 maart 1949 zijn eigen vertrek aan en werd  opgevolgd door luitenant-kolonel J. Borghouts. Het Korps had onder Van Beek zijn meest enerverende periode meegemaakt. Van Beek was als commandant van het korps niet geliefd, beter geformuleerd: uitermate gehaat.

"Compagnie Eric"

Het was aan generaal Engles te danken dat Ulrici kort na zijn verwijdering uit het Korps Speciale Troepen een nieuwe missie te vervullen kreeg. De inmiddels tot kapitein bevorderde Ulrici werd in 1949 naar West-Java gestuurd.

Gedurende de periode van 13 maart tot en met 9 augustus 1949 was hij aldaar actief als commandant van de speciale groep "Compagnie Eric", waar hij verschillende acties leidde tegen benden. Aan zijn beleidvolle optreden was het te danken dat verschillende extremistische leiders konden worden opgepakt en een grote hoeveelheid wapens, munitie en documenten werd buitgemaakt, terwijl aan Nederlandse zijde slechts twee man sneuvelden.

Acties waaraan Ulrici meedeed en waarbij hij zich onderscheidde waren:

  • Van 8-11 april 1949 bij kampong Leutjang;uuulricichristoffol 3
  • Van 21-23 april 1949 bij de kampongs Tjirabak en Kaboejoetan 2;
  • Van 20 tot 24 mei 1949 bij kampong Telesak 1;
  • Op 27 mei 1949 bij kampong Tjitjabar (of Tjatjabar);
  • Van 10-17 juni 1949 bij kampong Mantjagar, Tjinjasak en Tantilam.
  • Op 9 augustus 1949 bij Tjiloetoeng-Girang. 

Tijdens deze laatste actie kwam hij als patrouillecommandant bij zijn opsporingspogingen de schuilplaats van een berucht bendeleider in zeer moeilijk terrein te vinden tegen 20 goed opgestelde gewapende bendeleden van diens stafkwartier te staan maar wist op beleidvolle wijze op te treden. Op het juiste ogenblik ging hij, nadat hij een handgranaat geworpen had, met de bij zijn patrouille ingedeelde officier-pelotonscommandant en twee Indonesische soldaten tot de stormaanval over, waarbij de bendeleden werden neergeschoten.

In augustus 1949 kregen de speciale eenheden van Ulrici en luitenant T.E. Spier van de generale staf van het Indische leger en van de Koninklijke Landmacht opdracht om deserteur Poncke Princen uit te schakelen. Princen wist bij die actie door het raam te vluchten maar zijn vrouw werd in de strijd gedood. Tijdens deze actie kreeg Ulrici het dagboek van Princen in handen maar moest dit later afstaan aan zijn superieuren, waarna het geschrift zoek raakte.

Decoraties

Het ridderkruis der Militaire Willems-Orde kreeg Ulrici voor bovengenoemde handelingen bij Koninklijk Besluit van 3 oktober 1953 nummer 19. In het Koninklijkuuulricichristoffol 1 Besluit, waarin deze benoeming was vastgelegd, stond, behalve een passage over zijn verzetswerk, het volgende:

"Dat het aan zijn voortreffelijke, van grote voortvarendheid en onverschrokken doorzettingskracht getuigende leiding van deze maandenlang schier rusteloos voortgezette acties tegen het bendewezen in het Pasoendanse te danken was dat vele op de voorgrond getreden verzetslieden onschadelijk konden worden gemaakt of gevangengenomen en een aanzienlijke hoeveelheid wapens, munitie en documenten kon worden buitgemaakt, terwijl slechts eenmaal aan eigen zijde twee gesneuvelden te betreuren vielen."

Ulrici werd op 12 juli 1955 daadwerkelijk in de Militaire Willems-Orde opgenomen. De plechtigheid vond plaats in de Frederik Hendrikkazerne te Vught. Ulrici en Spier ontvingen toen allebei de onderscheiding persoonlijk van prins Bernhard, waarbij de prins ook de gebruikelijke ridderslag gaf. Behalve ridder in de Militaire Willems-Orde was Ulrici officier in de Orde van Oranje-Nassau, drager van het Verzetsherdenkingskruis, het Ereteken voor Orde en Vrede met vier gespen en het Mobilisatie-Oorlogskruis.

Ulrici's eerdere onderscheidingen voor dapperheid, de Bronzen Leeuw en het Bronzen Kruis, werden bij de benoeming in de Militaire Willems-Orde ingetrokken

Latere loopbaan.

Ulrici werd bij Koninklijk Besluit van 9 juni 1949 nummer 34 op het daartoe door hem gedane verzoek in de rang van reserve-eerste luitenant eervol ontslagen uit de militaire dienst en bij hetzelfde Koninklijke Besluit door de Minister van Oorlog bij het wapen der infanterie ter nadere indeling opnieuw benoemd tot eerste luitenant. uuulricichristoffol 6

In deze rang werd hij op 3 maart 1950 op de Emmakazerne in Assen door de waarnemend commandant van het zesde infanterie depot, luitenant-kolonel H. Onderstal, in aanwezigheid van de bevelhebber van het vierde militaire gewest generaal-majoor H.J.J.W. Dürst Britt. beëdigd bij het Eerste Regiment Infanterie  Het jaar daarop vond zijn bevordering  tot kapitein plaats. De moderne gevechtsbaan voor harde en realistische training op het infanterieschietkamp Harskamp bouwde men mede met de hulp van zijn adviezen, toen Ulrici hier in de functie van commandant actief was. 

Twee jaar later hadden al 70.000 soldaten hier geleerd hoe zij met zware mitrailleurs over de hoofden van de eigen troepen konden schieten. Deze gevechtsoefeningen gingen gepaard met het nemen van terreinhindernissen, terwijl explosieven en een electrische versterkingsinstallatie voor oorlogsgeluiden de werkelijkheid benaderden. Alles was ontworpen door Ulrici.

Hij was ook de initiatiefnemer van de bouw van een dorp voor het naspelen van huis- en straatgevechten. Ulrici voelde zich echter door tegenwerking vanuit de militaire hiërarchie niet langer thuis. Hij vroeg en verkreeg aldus met ingang van 1 augustus 1955 eervol ontslag uit de militaire dienst (Regiment Limburgse Jagers)

Vrijwilligerskorps voor Vietnam

Tijdens de Vietnamoorlog (in 1965) werd Ulrici door hoge militaire autoriteiten gevraagd een Nederlands vrijwilligerskorps op te richten, dat deel zou gaan nemen aan de oorlog in Zuid-Vietnam en waarvan hij commandant zou worden.  Dit werd later door Minister de Jong van Defensie ontkend maar deze liet hierbij in het midden of Ulrici inderdaad met officiële personen contact zou hebben gehad en wie dit waren. 

Ulrici schreef hierop: "De regering neemt een uiterst slappe houding aan. Ik had wel verwacht dat de Minister van Defensie alle plannen voor een vrijwilligersbataljon voor Vietnam zou ontkennen. Ik vraag mij af: waarom wel economische en financiële steun in de strijd tegen de Vietkong maar geen daadwerkelijke militaire zal worden gegeven? Wanneer zal de regering nu eens een duidelijke verklaring afleggen?"

Intussen had Ulrici meer dan 95 reacties gekregen van mensen die graag met hem naar Vietnam zouden willen vertrekken. Dat waren voornamelijk officieren en onderofficieren van het voormalige KNIL, veel Mariniers, die onder meer op Nieuw-Guinea hadden gestreden, Ambonezen, Duitsers en Engelsen. Daarnaast hadden veel officieren en onderofficieren van het Nederlandse leger zich aangemeld en de Vereniging van Poolse oudstrijders zeer enthousiast gereageerd. 

Kwestie moord op de vaandrig Aernout

Ulrici, die begin jaren zestig in Zweden woonde, mengde zich in 1961 ook in het debat rond de moord op de vaandrig Aernout. Hij stelde zich toen achter de bevindingen van hoofdambtenaar F.H. van der Putten. Ulrici was zelf eerder betrokken geweest bij het onderzoek naar deze geruchtmakende affaire, de moord op de vaandrig Aeruuulricichristoffol 4nout en de malversaties bij de dienst kwartiermeester-generaal. 

Ulrici stelde dat het zijn plicht was de autoriteiten op de hoogte te stellen van de diverse feiten, zoals die aan hem bekend waren, alsmede de woorden van generaal Spoor, in Ulrici's bijzijn geuit, en die betrekking hadden op de malversaties bij de dienst kwartiermeester-generaal van het KNIL. 

Indertijd werd kapitein Westerling belast met het onderzoek van deze moordzaak en hij had Ulrici verzocht hem te vergezellen naar Lembang, waar de moord zich had afgespeeld. Westerling en Ulrici zagen dat er van binnenuit geschoten was, dat de verklaringen van de bedienden niet klopten en de vloer nadien was gedweild om het bloed weg te krijgen. 

Uit sectie was, mede door schroeiplekken op de huid, gebleken dat het dodelijk schot van zeer nabij moest zijn afgevuurd. De officier van justitie verklaarde in die tijd aan Westerling en Ulrici: "dat dit een heel vies zaakje was en er genoeg bewijzen voor moord, gepleegd om het aandeel van verschillende officieren in een omvangrijke wapensmokkel te verdoezelen, waren te vinden". 

Ulrici werd, waarschijnlijk als gevolg van dit onderzoek, bij zijn vertrek naar Nederland vergiftigd en balanceerde gedurende twee weken op het randje van de dood. In zijn brief aan de autoriteiten in 1961 verklaarde hij het volgende:

  • Generaal Spoor had Westerling en Ulrici verteld dat hij een grote zwendel en chaos alsmede corruptie op het spoor gekomen was op de dienst kwartiermeester-generaal. uuulricichristoffol 5
  • Spoor had Westerling in samenwerking met Van der Putten verzocht een onderzoek in- alsmede een rapport op te stellen. Westerling en Ulrici verklaarden tijdens acties tegen de vijand grote hoeveelheden munitie en wapens buitgemaakt te hebben, die nog in de originele verpakking met codenummers zaten, verpakking en codenummers, zoals die normaliter in de Nederlandse wapendepots werden gevonden. 
  • Westerling had Ulrici verteld dat men op het spoor was van een grote wapensmokkel, gepleegd door officieren en met een waarde van 40 miljoen gulden. 
  • Ulrici verklaarde ook dat de Commissie Zaaijer hem zeer vijandelijk gezind was geweest en dat hij, zij het in bedekte termen, kon voelen dat de uitkomst al bij voorbaat vast had gestaan. 

De dader van de moord en ook de man achter de wapensmokkel zou, volgens voormalige officieren van het KNIL,  een adjudant, dan, in 1961, nog in actieve dienst van de Koninklijke Luchtmacht zijn geweest, namelijk de Ambonees P. Tijdens de bezetting van Nederlands-Indië door Japan zou de adjudant voor de Kempeitai gespioneerd hebben en na die tijd medeplichtig aan moord en leverancier van munitie aan extremisten zijn geweest.

Toen nog sergeant-majoor P was de vertrouweling geweest van luitenant M. v. C., die later door de Commissie Zaaijer was gehoord. P. is nooit vervolgd voor een van zijn strafbare feiten door protectie van bovenaf. 

Latere verwikkelingen

Bij de dood van Westerling in 1988 stelde Ulrici dat dr. Loe de Jong Westerling kapot had gemaakt door hem op een smerige manier te bekladden. Hij zei verder dat Westerling geen moordenaar was maar dat uuulricichristoffol 2de echte moordenaars de Rode Jakhalzen in Den Haag waren geweest, die Nederlandse militairen met slechte wapens de rimboe in hadden gestuurd.

Toen er sprake van was, in 1995, dat koningin Beatrix en Poncke Princen elkaar zouden ontmoeten tijdens een staatsbezoek van de koningin aan Indië, schreef Ulrici een brief van protest aan minister J. Voorhoeve, waarin hij de minister verzocht een ontmoeting te voorkomen.

Deze zegde alle voorzorgen toe om de koningin en de deserteur gescheiden te houden.

Geen onderscheiding voor Westerling

Hoewel Westerling verschillende malen werd voorgedragen voor een onderscheiding, kreeg hij die niet. In augustus 1948 vroeg zijn toenmalige adjudant Ulrici in een open brief aan Prins Bernhard aandacht voor het feit dat Westerling nog altijd geen onderscheiding had ontvangen, terwijl het "zo’n zeldzaam moedig, flink en knap commandant was".

Prins Bernhard informeerde nog dezelfde maand bij legercommandant Simon Spoor of Westerling al dan niet een onderscheiding zou worden verleend. Spoor liet de Prins weten dat hij zich zou inspannen voor een onderscheiding, maar hier voelde men echter in Den Haag niets voor. 

Uitspraken van Ulrici

  • We waren hard, keihard. Dat is nogal logisch. Als je je jongens terugvindt met hun afgesneden lul in de mond, de benen afgezaagd, met de zaag er nog naast, en je krijgt de vent die dat geflikt heeft te pakken, dan ga je geen espresso met hem drinken. Dan heb je absoluut geen consideratie, geen pardon. En dat noemt men dan excessen".
  • "Elke gewonde, Nederlands of Indisch, man, vrouw of kind, werd door ons meegenomen en naar een ziekenhuis gebracht. Altijd heb ik mijn troepen ingepeperd: er wordt niet gestolen of verkracht. Je gedraagt je correct. Want daarmee geef je een visitekaartje af."
  • "Indië-veteranen zijn allesbehalve populair. Anderen wel. Zo is er een drager MWO die niet verder kwam dan trainen in veilig Engeland. Nadat hij bij een parachutesprong een been had gebroken, werd deze koene ridder nooit boven bezet gebied gedropt. Door goede contacten werd de MWO wel toegekend."

Ulrici exploiteerde tijdens de jaren zestig het golfslagbad De Branding in Doorwerth maar bleef bij tijd en wijle nog wel actief ten behoeve van zijn vroegere makkers. Zo organiseerde hij in maart 1957 financiële hulp voor militaire oorlogsslachtoffers. 

De laatste jaren van zijn leven vertoefde Ulrici in Spanje, waar hij in 2005 op 83-jarige leeftijd te Mallorca overleed. .

f t