Kamperhuis



Jonge jaren

Florentius Johannes (Tobi) Kamphuis (Arnhem, 7 juli 1928) en zijn broer Hendrik (later actief bij de  Technische Troepen in de Oost) groeiden op in Arnhem, waar zij met hun moeder en grootmoeder woonachtig waren aan de Hommelseweg.

Tijdens de slag om Arnhem (17-25 september 1944) werd het gezin via Beekbergen en Apeldoorn geëvacueerd naar Friesland.

Na de oorlog voltooide Kamphuis, inmiddels teruggekeerd naar Arnhem, zijn opleiding aan de Mulo en vertrok, na een voorbereidende militaire opleiding van vier maanden in de Lodewijkkazerne te Amersfoort,  in juli 1948 met de vierde compagnie, derde peloton per "Zuiderkruis" naar de Oost. 

Ruim een maand later bereikte dit schip Semarang en werden Kamphuis en zijn medemanschappen gestationeerd in het doorgangskamp Djating-Aleh (Boven-Semarang). 

In de Oost: Tweede Politionele Acties

Twee weken na aankomst kreeg de compagnie opdracht naar Tjilatjap te gaan, waar zij werd belast met de bewaking van olieopslagtanks van de Bataafse PetKapperdekaproleum Maatschappij.

Eind september volgden de soldaten een aanvullende gevechtsopleiding in Soemowono en werd de compagnie verder klaargestoomd voor de volgende taak: patrouillewerkzaamheden aan de Demarcatielijn ter hoogte van Banjoe-Biroe. 

Kamphuis kreeg een tijdelijke detachering bij de Stoottroepen in Ambawara en volgde in deze tijd bij de Verbindingsdienst een verkorte opleiding.

Begin november 1948 werd zijn compagnie naar Salatiga gestuurd, vanwaar men in de avond van de negentiende december 1948 naar Poerworedjo vertrok om deel tVeteranenfotos 110e gaan nemen aan de Tweede Politionele Actie. 

In eerste instantie bestond een groot gedeelte van het werk uit het bewaken der infrastructuur (bruggen) maar al op 22 december 1948 kreeg de compagnie opdracht terug naar Semarang te gaan, van waar de manschappen op 24 december per Dakota naar Djokja, vliegveld Magoewo, werden getransporteerd. 

Op Tweede Kerstdag reisden Kamphuis en zijn makkers naar Solo, waar patrouillewerkzaamheden van hen verwacht werden. Hier bleef men echter niet lang omdat er orders kwamen naar Adjibarang, gelegen aan de weg van Boemiajoe naar Poerwokerto, te vertrekken, waar de bezetting van een tijdelijke politiepost op gruwelijke wijze was afgeslacht.

Kamphuis zag inderdaad de lijken der politieagenten, met door messen en klewangs opengereten borst, nog op de weg liggen. 

Diverse activiteiten

De weg van Moeniajoe naar Poerwokerto bleek zeer belangrijk voor de aanvoer van fourage voor de Nederlandse troepen. Dit maakte de taak van Kamphuis en traladiezijn manschappen tot een cruciale.

Dat was dan ook de reden dat men versterking van de Ondersteuningscompagnie aanvroeg en bij de brug een Vickers-mitrailleur en een zware mortier opstelde. 

Intussen deden geruchten de ronde dat de Siliwangi-Divisie, die in de bergen rondtrok, een aanval op het kampement aan het beramen was.

In de vroege morgen van 1 januari 1949 bleek de juistheid hiervan toen de vijand massaal het vuur opende, waarbij een zwaargewonde viel. Uiteindelijk wist men de aanvaller echter te verdrijven. 

Een dag later gelukte het een Nederlandse patrouille de co-piloot van een Auster bewusteloos uit diens neergestorte toestel te bevrijden en in veiligheid te brengen.

De theeonderneming te Kaligoea

Twee pelotons kregen in de daarop volgende dagen opdracht een theeplantage te Kaligoea, die tot dat moment in handen van de TNI was,  te bezetten. Kaligoea

Deze onderneming was hoog in het Slamat-gebergte gelegen en slechts toegankelijk middels een steile, door diepe ravijnen geflankeerde, weg met tientallen haarspeldbochten. .

Kamphuis en 34 makkers trokken uiteindelijk op 5 januari 1949 dwars door de bergen naar Kaligoea.  

Op de eenzame post was maar een enkele toegangsweg, die al snel door de TNI middels inundatie onbruikbaar werd gemaakt. De luchtmacht onderving een nakend gebrek aan fourage door voedseldroppings te organiseren. 

Intussen ondernam de vijand op 27 januari 1949 een tegenaanval. De dag ervoor zag een patrouille diverse lichtsignalen in de bergen, twaalf uur later gevolgd door hevig aanvallen met zwaar geschut. Hierdoor raakte een kameraad en stadgenoot van Kamphuis zwaar gewond. 

Biddend naast de stervende jongen zag hij de ernstig gekwetste vriend diens ogen voorgoed sluiten. Hij werd op de tijdelijke begraafplaats te Boemiajoe begraven. Na de aanval begon men met gezwinde spoed eindelijk aan de bouw van een verdedigende stelling rondom het kamp. 

Onder vuur van de vijand

De commandant van het kampement, die deze maatregel zo roekeloos en achteloos achterwege had gelaten werd vervangen door een luitenant van het KNIL. Nu begon men eindelijk aan zeer intensieve patrouilles, waaraan ook Kamphuis deelP1040926 kopienam.

Al tijdens de eerste tocht bleek dat de vijand zich overal met sterke eenheden in de directe omgeving had weten te nestelen. Er vielen dan ook al snel aan Nederlandse zijde twee gewonden door vijandelijke kogels

Na het gereedkomen van de nieuwe stellingen kwam aan de aanvallen van de vijand echter snel een einde. Tijdens latere patrouilles deed Kamphuis vooral dienst als brenschutter, waarbij de troep geregeld opnieuw onder vuur kwam te liggen.

Op een van deze tochten werden de commandant en de chauffeur van een jeep neergeschoten en ontving ook Kamphuis kogels, die dwars door zijn rechteronderarm en voet gingen. Kort daarop werd zijn eenheid door een ondersteuningscompagnie ontzet en bracht men de gewonden naar het ziekenhuis in Banjoemas.

Aldaar overleed de luitenant, een man van 27 jaar.  Kamphuis bleef nog zeven weken in het veldhospitaal en keerde toen naar zijn onderdeel terug, waar de overleden commandant inmiddels vervangen was door een andere KNIL-luitenant.

Latere werkzaamheden

Vanaf eind mei 1949 werd Kamphuis weer ingezet bij patrouillewerkzaamheden en kreeg onder meer opdracht een kampong te zuiveren. Tijdens deze actie werden 26 vijanden gearresteerd.P1060205

Na deze tocht bleek dat de voet van Kamphuis nog niet genezen was en werd hij via de bataljonsarts in Boemiajoe naar het Juliana-hospitaal in Semarang gestuurd, waar men hem afkeurde voor alle infanteriediensten. 

Kamphuis werd nu overgeplaatst bij een stafcompagnie en werkte tot 1950 bij de sportafdeling, waar hij onder meer de kantine beheerde.  

Na terugkeer in Nederland behaalde hij een type - en boekhouddiploma en begon aan zijn veertigjarige loopbaan bij de Provinciale Gelderse Electriciteits Maatschappij (PGEM). 

Toen hij eenmaal gepensioneerd was begon Kamphuis zich onder meer in te zetten voor de vernieuwing van het herdenkingsmonument op de Oranjekazerne in Schaarsbergen, organiseerde hij vele bijeenkomsten van en voor veteranen en was hij bij het Veteranenplatform actief. Daarnaast  verrichte Kamphuis als vrijwilliger gedurende 35 jaar vele werkzaamheden ten behoeve van voetbalvereniging de Paasberg in Arnhem.  

Voor al deze activiteiten werd hij in 2008 benoemd tot lid in de Orde van Oranje-Nassau. 

 

f t