RT Overakker


Vroege loopbaan

Diverse posities

Sportieve bezigheden

Activiteiten in de jaren dertig

Periode voor de Tweede Wereldoorlog

Bezetting van Sumatra door Japan

Activiteiten tijdens de bezetting

In gevangenschap

Veroordeling en executie

Militare Willemsorde

Decoraties

Zie ook


Vroege loopbaan

Roelof Theodorus Overakker (Haarlem, 9 januari 1890 -Bukitting, 9 januari 1945) was de zoon van Henri Daniël Marie Overakker (1861-1940) en Akke Henriëtta Vermeulen (1854-?).  Hij behaalde in de zomer van 1909 het vergelijkend examen voor toelating als cadet bij de Koninklijke Militaire Academie voor de infanterie hier te lande en begon op 5 oktober 1909 aan zijn studie aan de Academie. In die tijd veranderde hij zijn studierichting in die van infanterie bij het leger in Nederlands-Indië. Bij Koninklijk Besluit van 20 juli 1912 nummer 62 werd hij bevorderd tot tweede luitenant en gedetacheerd bij de Normaal Schietschool in Den Haag.

Van deze detachering werd hij met ingang van 20 januari 1913 ontheven om ingedeeld te worden bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. In de Oost aangekomen werd Overakker bij het zevende bataljon ingedeeld en in oktober 1915 overgeplaatst bij het achttiende bataljon, dat op dat moment op expeditie was in de Westerafdeling van Borneo. Aldaar nam hij dus deel aan de krijgsverrichtingen die er op dat moment plaatsvonden.

 Op 8 april 1916 werd hij bevorderd tot eerste luitenant en trouwde op 8 mei 1918 te Bandoeng met Fietje Beer. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, Roelof Theodorus en Margaretha Winny. 

Diverse posities

Overakker kreeg toestemming tot het bijwonen van de leergang voor Krijgskundige Studies aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag (september 1921-december 1924) en vertrok begin jaren twintig met zijn gezin voor dit doel naar Nederland. Nadat hij de cursusFlorestja afgerond had keerde hij eind 1924 per stoomschip Insulinde naar de Oost terug, waar hij op 26 januari 1926 geplaatst werd bij het garnizoensbataljon van Flores, Timor. Aldaar werd hij tijdelijk belast met het civiele bestuur van de onderafdeling Beloe (Afdeling Timor en Eilanden). Voor de loffelijk wijze waarop hij deze taak verricht had ontving hij een dankbetuiging van het gouvernement.

Overakker werd op 24 juni 1926 bevorderd tot kapitein en in februari 1928 overgeplaatst bij de Generale Staf (hoofdkantoor) en ingedeeld bij de staf der Eerste Divisie te Weltevreden. Na vier jaar, op 6 juni 1932, werd hij op zijn verzoek bij zijn wapen teruggevoerd en overgeplaatst naar het negentiende bataljon te Malang, tevens als voorzitter benoemd in de commissie ter afneming van het sergeant-majoor-instructeur en -administrateurexamen. Op 16 september 1933 volgde Overakkers bevordering tot majoor; hij vertoefde inmiddels in Nederland en bij de bevordering stond de bepaling dat hij ook in zijn nieuwe rang bij de Generale Staf gehandhaafd en bij zijn wapen als gedetacheerd bij het Departement van Koloniën gevoerd zou blijven.

Sportieve bezigheden

 Overakker was eind jaren twintig, begin jaren dertig naast zijn professionele werkzaamheden actief als lid van het comité voor de regeling van de wedstrijden om het Java-kampioenschap 1929 van de Nederlands-Indische Voetbal Bond te BaOverakker te paardndoeng. Hij was ook erevoorzitter van de Bandoengsche Voetbalbond en voorzitter van de Regelingscommissie. Daarnaast was hij  in de jaren dertig betrokken bij de Militaire Athletiek Vereniging te Malang en was hij lid van de commissie voor het afnemen van de militaire vaardigheidsproef  aldaar.

 Tijdens het trainen voor het kampioenschap voor dienstrijpaarden viel Overakker in juli 1931 van zijn paard en raakte bewusteloos. Hij werd met spoed naar het ziekenhuis in Tjimahi gebracht, waar een hersenschudding werd geconstateerd. Het paard, Boy T., mankeerde niets en kon onbelemmerd maar met een andere berijder deelnemen aan de wedstrijden. Gedurende zijn detachering in Nederland,  begin jaren dertig, trad Overakker op als vertegenwoordiger van de Nederlands-Indische Voetbal Unie. Later nam hij in de Oost onder meer deel aan de jachtrit voor onbereden officieren tijdens het concours hippique.

Activiteiten in de jaren dertig

Overakker werd met ingang van 1 februari 1933 bij de zesde afdeling van het Ministerie van Koloniën gedetacheerd en bij de Generale Staf in Nederland geplaatst. Aldus vertrok hij op 1 februari met zijn vrouw en kinderen met het stoomschip Baloeran naar het Vaderland, waar hij op 16 oktober 1933 werd bevorderd tot majoor. In juni 1934 fungeerde hij  als vertegenwoordiger van het Indische Leger tijdens de plechtige bijeenkomst in de Ridderzaal ter herdenking van de 300-jarige band tussen Nederland en Waringinboom MalangCuraçao. Andere genodigden waren Koningin Wilhelmina, Prinses Juliana en vele Ministers en andere hoogwaardigheidsbekleders.

In november 1935 werd Overakker, met dezelfde bepalingen als bij zijn eerdere rangsverhoging, bevorderd tot luitenant-kolonel; eenmaal teruggekeerd naar Nederlands-Indië per stoomschip Dempo (26 augustus 1936) werd hij in augustus 1936 ingedeeld bij het achtste bataljon te Malang en met ingang van de dag van overgang benoemd tot commandant van deze eenheid. Zijn opvolger bij de Generale Staf in  Nederland was kapitein D.R.A. van Langen.

Overakker verklaarde in een interview met de Indische Courant in 1936 dat er bij de massa in Nederland tot zijn spijt weinig tot geen belangstelling bestond voor Nederlands-Indië en de problemen aldaar. Defensie in de Oost had volgens hem grote moeite geld te vinden voor een afdoende verdediging. Met name bommenwerpers voor leger en Marine waren in zijn optiek hard nodig om de situatie te verbeteren. In zijn dan nieuwe functie als commandant van het achtste bataljon zou hij over deze zaken een bespreking hebben met de chef van de Generale Staf en een bezoek brengen aan de legercommandant.

Periode voor de Tweede Wereldoorlog

Gedurende de tijd dat Overakker commandant was van het achtste bataljon speelde zich een tragedie (september 1937) af op het terrein van de kazerne te Malang. De Javaanse infanterist Karim trok plotseling zijn klewang en bracht zijn echtgenote tien zware houwen toe. Toen hij op het punt stoVallei Magelangnd haar de keel door te snijden grepen toegelopen soldaten in. Overakker bezocht het slachtoffer nog in de operatiezaal maar de vrouw was te zwaar gewond geraakt en overleed korte tijd later aan de gruwelijke verwondingen en het bijkomstig bloedverlies. De dader werd gearresteerd,  in verzekerde bewaring gesteld en moest later voor de Krijgsraad in Tjimahi verschijnen.

Overakker nam op 31 december 1937 het commando over het zesde regiment over van kolonel J.J. Pesman; hij bleef daarnaast ook het achtste bataljon commanderen en werd op 21 september 1938 bevorderd tot kolonel. Op 22 februari van dat jaar was Overakker al overgeplaatst bij de staf van het eerste bataljon en ter beschikking gesteld van de commandant van de Tweede Divisie te Magelang. In augustus 1938 volgde een nieuwe overplaatsing, ditmaal naar de staf van het vierde regiment infanterie.

Overakker werd in oktober 1939 benoemd tot commandant van het zesde regiment infanterie te Malang, dat indertijd tijdelijk geleid werd door luitenant-kolonel P. Scholten. Ter gelegenheid van de verjaardag van de Koningin werd hij op 31 augustus 1940 benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden.

Bezetting van Sumatra door Japan

Overakker werd bij Koninklijk Besluit van 19 februari 1942 nummer 10 bevorderd tot generaal-majoor en benoemd tot bevelhebber (territoriaal commandant) van de Nederlandse Strijdkrachten op Sumatra. Hij gaf zich op 28 maart 1942, na een hevige strijd, te Koetatjane over aan het Japanse leger. Vlak voordat het KNIL, onder leiding van generaal H. ter Poorten, op 8 maart 1942 op Java capituleerde had Ter Poorten aan de legerleiding op Sumatra, Timor en Nieuw-Guinea een telegram gestuurd waarin stond dat men de strijd ondeMoskee kota radhar alle omstandigheden diende voort te zetten.

De legerleiding op Sumatra bestond indertijd naast Overakker uit kolonel G.F.V. Gosenson (territoriaal commandant van Atjeh en Sumatra's Oostkust) en luitenant-kolonel J.H.M. Blogg (territoriaal commandant van Sumatra's Westkust). Toen de Japanners landden op Sumatra was het plan van de legerleiding geweest de troepen in het bergland rond de Alas-vallei te concentreren en van daar uit de strijd voort te zetten totdat de Geallieerde tegenaanval plaats zou vinden. Maar slechts een groep onder kapitein J. Dormolen en een onder leiding van eerste luitenant der Marechaussee H. van Zanten gelukte het zich tot respectievelijk april 1942 en maart 1943 te handhaven.

Na de overgave van Overakker werden omstreeks 3.000 manschappen afgevoerd naar krijgsgevangenkampen en Overakker belandde in eerste instantie in de Uniekampong, eerder gebruikt als woonwijk voor contractkoelies van het Algemeen Delisch Emigratie Kantoor te Belawan (Oostkust Sumatra).   Aldaar besprak hij in de tijd dat hij daar bivakkeerde (tussen 2 april en 13 juni 1942) met zijn officieren de situatie  en maakte plannen om bij de dan snel verwachte tegenaanval van de Geallieerden zelf ook activiteiten te kunnen ontplooien.

Activiteiten tijdens de bezetting

Overakker stelde een schriftelijke order, gericht aan de reserve kapiteins K. ten Velde (genie, in het dagelijks leven procuratiehouder) en ir. A.C. Woudenberg (werkzaam bij Waterstaat) op, waarin hij hen belastte met het gezag in de residenties Sumatra's Oostkust en Tapanoeh zodra het NederlandsSpoorweg van Padang naar Fort de KOcke gezag weer hersteld zou zijn. Nadat Overakker en kolonel Gosenson op 13 juni 1942 waren afgevoerd naar Formosa kwam tegen deze order verzet van kampcommandant Blogg, die vond dat Ten Velde en Woudenberg zich dan onder zijn bevel dienden te stellen, als zijnde de hoogste in rang.

De keuze van Overakker was echter juist op Ten Velde en Woudenberg gevallen omdat zij als Nipponwerkers meer bewegingsvrijheid hadden een illegale organisatie op te zetten. Onder hun leiding (met politieambtenaar P.A.J. de Bruyn) ontstond later een ondergrondse organisatie die veel vertakkingen op Sumatra's Oostkust had. Overakker werd enige tijd hierna van Formosa teruggehaald naar Sumatra, waar hij te Medan en in Fort de Kock verhoord werd omdat de Japanners hem ervan verdachten een der initiatiefnemers van een verzetsorganisatie te zijn geweest. Woudenberg en Ten Velde deelden later hetzelfde lot toen de schriftelijke order van Overakker gevonden werd.

In gevangenschap

Overakker en Gosenson werden op 13 juni 1942 overgebracht naar Formosa, waar zij deel gingen uitmaken van de Special Party, een groep van hoge Nederlandse, Britse en Amerikaanse officieren en andere prominenten. Onder hen bevonden zich generaal Ter Poorten, generaal-majoor Scholten, de gouverneur-generaal en anderen. Aldaar verbleven Overakker en Gosenson gedurende een jaar in diverse kampen, waaronder Karenko, waar zij op 8 september  1942 aankwamen.  Op 3 augustus 1943 werden Overakker en Gosenson van de andere krijgsgevangenen weggeroepen  en kregen het bevel dat zij het kamp (dan kamp Shirakawa) dienden te verlaten.

Gosenson kreeg de order het strikt noodzakelijke te pakken en werd samen met Overakker door de Japanners weggeleid. Hun overige bezittingen moesten generaal Scholten en andere gevangenen inpakken en hen nasturen op Sumatra. Scholten verkeerde hierdoor in de veronderstelling dat de Japanners Overakker en Gosenson wilden gebruiken om een opstand te Atjeh te dempen en vernam pas na de oorlog de ware toedracht. 

Veroordeling en executie

Na afronding van het politionele onderzoek naar de verzetsactiviteiten van Overakker en Gosenson door de Kempeitai in Medan werden de resultaten in oktober 1943 doorgespeeld aan het justitieel departement van het 25ste Leger en werd er opdracht gegeven tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek. Overakker en Gosenson werden overgebracht naar ForGrafoverakkert de Kock en verschenen op 12 oktober 1943 voor de Buitengewone Krijgsraad. Eind november werden beiden opnieuw intensief  verhoord, waarbij met name bij Overakker steeds de order die hij  gegeven had aan Ten Velde en Woudenberg het uitgangspunt vormde.

Op 21 december werd aan Overakker de dagvaarding met de bewijslast voorgelegd maar op 31 januari 1944 gaf de vice-minister van oorlog Tominaga Kyoji vanuit Tokyo de opdracht om het proces tegen Overakker en Gosenson op te schorten.  Beiden werden nu overgebracht naar een apart gebouw bij de Tomi-gevangenis, waar zij tot de rechtszitting zouden blijven. Op 12 augustus 1944 kwam de vice-minister terug op de eerdere opdracht en ordonneerde hij de beklaagden in formele staat van beschuldiging te stellen.

In de vroege morgen van 9 januari 1945, op de 55ste verjaardag van Overakker, vond de rechtszitting plaats. Gosenson en Overakker hadden geen verdediger ter beschikking. Beiden werden schuldig verklaard aan de ten laste gelegde aanklachten en ter dood veroordeeld. Zij kregen de gelegenheid nog een laatste brief aan hun familie te schrijven en nog dezelfde dag, op 9 januari 1945, werden Overakker en Gosenson op Tandjoeng Gadai, een heuvel zeven kilometer van Fort de Kock, door middel van een vuurpeloton geëxecuteerd. Zij werden om 13.17 als gevolg van een schotwond door het hoofd doodverklaard. Hun lichamen werden in kisten op de heuvel begraven.

Herbegrafenis

In 1950 werden te Tandjonggadai, nabij Bukit Tinggi (Fort de Kock), graven en massagraven van door de Japanners geëxecuteerde oorlogsslachtoffers gevonden. Men was in staat de stoffelijke overschotten van Overakker, Gosenson, reserve kapitein G.J. Boekennogen en eerste luitenant H. van Zanten te identificeren.

Zij werden, op verzoek van familieleden, in mei 1950, in het bijzijn van luitenant-generaal D.C. Buurman van Vreeden, commandant der Nederlandse Strijdkrachten in Nederlands-Indië,  herbegraven op het ereveld aan de Padang Boelandwe (Ereveld Antjong) te Medan. 

Militaire Willemsorde

Bij Koninklijk Besluit van 6 augustus 1947 kreeg Overakker postuum de Bronzen Leeuw toegekend voor tot de capitulatie betoond leiderschap. Een begiftiging met het Verzetskruis werd niet geratificeerd. In 1951 kwam men terug op een eerder besluit geen Militaire Willemsorde te schenken en werd de benoeming tot Bronzen Leeuw ingetrokken. Bij Koninklijk Besluit van 25 juli 1951 nummer 15 werd Overakker alsnog postuum benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde. 

Tijdens een plechtige bijeenkomst in het Koninklijk Paleis in Amsterdam werden de versierselen hiervan uitgereikt aan de weduwe van generaal Overakker. Gosenson werd niet begiftigd met een onderscheiding, waarschijnlijk omdat aan hem bij leven al de Militaire Willemsorde was uitgereikt en hij, naar het oordeel van de commissie, niet had deelgenomen aan het verzet.  

Decoraties

  • Ridder in de Militaire Willemsorde
  • Officier in de Orde van Oranje-Nassau
  • Oorlogsherinneringskruis met twee gespen
  • Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier met het cijfer XXX
  • Vaardigheidsmedaille van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger
  • Vaardigheidsmedaille (in goud met het kroontje) van het NOC
  • Kruis voor Betoonde Marsvaardigheid van de Koninklijke Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding, 2 deelnames, namelijk 1931 en 1932
  • Mobilisatiekruis 1914-1918 

Zie ook


 

[ Terug ]

 

f t