Gosenson met aapje


Vroege loopbaan

Werkzaamheden te Atjeh

Activiteiten in de jaren twintig

Hernieuwde strijd te Atjeh en de Militaire Willemsorde

Zuider- en Oosterafdeling van Borneo

Gewestelijk commandant van Atjeh en Onderhorigheden

Aanloop tot de bezetting van Sumatra

Bezetting van Sumatra door Japan

In gevangenschap

Veroordeling en executie

Laatste brief van Gosenson

Herbegrafenis

Decoraties

Zie ook


Vroege loopbaan

George Frank Victor Gosenson (Bandjermassin, 26 mei 1888 - Bukitting, 9 januari 1945) was de zoon van George Johan Regard Gosenson en Nicoline Jacqueline Rudolphine Lammerding. Hij trouwde in 1909 met Julie Thérèse Desiree van Lange, de zuster van een medecadet aan de Koninklijke Militaire Academie. Het echtpaar kreeg een dochter, Ineke Esmee en een zoontje, Victor.

Gosenson slaagde in april 1902 voor het admissie (toelatings)Gosenson in 1916-examen van de HBS te Semarang en deed vervolgens, in de zomer van 1904,  het toelatingsexamen voor de cadettenschool. Nadat hij deze opleiding had voltooid en ook voor het toelatingsexamen voor de Koninklijke Militaire Academie was geslaagd vertrok Gosenson in augustus 1906 met het stoomschip Gedé van Batavia naar Nederland.

Aldaar volgde hij zijn opleiding tot officier en werd bij Koninklijk Besluit van 24 juli 1909 nummer 54 benoemd tot tweede luitenant der infanterie voor het leger in Nederlands-Indië. Direct daarop (2 oktober) vertrok Gosenson per stoomschip Grotius naar de Oost, waar hij bij het zevende bataljon te Magelang werd geplaatst. In mei 1911 werd hij overgeplaatst naar de troepenmacht te Atjeh ter nadere indeling. Gosenson werd in juli 1912 bevorderd tot eerste luitenant en in oktober van dat jaar te Atjeh bij het eerste garnizoensbataljon korpsgedeelte Koeala Bèëe overgeplaatst.

Werkzaamheden te Atjeh

Gosenson werd in de jaren die volgden op diverse locaties te Atjeh gestationeerd. Van Koeala Bèëe werd hij naar het derde garnizoensbataljon te Lho Seumawe gezonden en vervolgens, in februari 1916,  naar het korpsgedeelte te Boeloh Blang Ara overgeplaatst. Einde vBehrens en Gosenson op een prauwan dit jaar werd hij bij het Korps Marechausse te Djeuran ingedeeld, waar hij de daarop volgende vier jaar zou blijven. Op 29 december 1917 vielen een paar Atjehnezen afkomstig uit Seunagan Gosenson, die toen fungeerde als bivakcommandant van Djeuram, aan. Hij was net teruggekeerd van een olifantenjacht en geraakte zwaar gewond door een klewanghouw over zijn gezicht en een slag door zijn dij.

Hoewel Gosenson zwaar gewond was wist hij toch zijn aanvallers onschadelijk te maken. Hij was echter zwaar beschadigd doordat zijn kaak door de slag vrijwel doormidden was gekliefd Tijdens het gevecht met zijn aanvaller hield hij met zijn linkerhand zijn getroffen lichaamsdeel vast, teneinde dit te beschermen, om met zijn rechterhand een karabijn van een gesneuvelde Marechaussee te grijpen en daarmee zijn belager neer te schieten. Gosensons moedige gedrag herstelde het moreel van de troep, waardoor de manschappen in actie kwamen en de overige rebellen buiten gevecht stelden.

Later bleek uit onderzoek dat een zekere Poeti na tussenkomst van Crani Hamit de overval had beraamd met de bedoeling het verzet in Seunagan weer te laten oplaaien. Poeti werd gearresteerd en verbannen en Gosenson verkreeg een Eervolle Vermelding voor zijn moedige gedrag.  Pas in augustus 1920 werd Gosenson, intussen dus voor het leven verminkt, van het Korps Marechausse op Java (Tjibaroesa) overgeplaatst naar het zestiende bataljon.

Activiteiten in de jaren twintig

Gosenson werd bevorderd tot kapitein en kreeg in december 1920 wegens langdurige dienst als officier een verlof van een jaar naar Nederland. Hij keerde samen met zijn gezin op 25 november 1921 met de Rindjani naar NederlaVendutiends--Indië terug, In deze tijd was Gosenson, inmiddels werkzaam bij het achtste bataljon infanterie te Malang, actief als schermer en ruiter. Zo nam hij tijdens de schermwedstrijden die in 1922 gehouden werden te Malang deel aan de strijd met de sabel en de floret enBivak te Troemon maart 1926 1930 1 was hij in augustus 1925 participant tijdens de jachtrit met het paard "Hurry on".

In april 1923 werd hij aangesteld als adjudant van de commandant van het eerste regiment te Meester Cornelis en stelde zich in oktober 1925 kandidaat (en werd gekozen) voor de Provinciale Raad  op West-Java namens het Indo-Europese Verbond. Hij moest echter bedanken omdat hij  in mei 1926 werd teruggeplaatst naar Atjeh om op zijn verzoek opnieuw bij het Korps Marechaussee gedetacheerd te worden. Dat was mede doordat aan de westkust van Atjeh de strijd weer oplaaide. Gosenson,  die de Atjehnese taal vloeiend sprak en bekend was met de cultuur, was de man die hier een einde aan kon maken.

 De overplaatsing naar Atjeh was samen met eerste luitenant J.H.M Blogg, die tijdens de bezetting van Sumatra door Japan nog een onaangename rol zou spelen.  Te Atjeh leidde Gosenson in de functie van colonnecommandant een expeditie door de streek Boven-Troemon. Die was een succes want twee opstandelingen konden onschadelijk worden gemaakt.  

Hernieuwde strijd te Atjeh en Militaire Willemsorde

Gosenson sprak, voordat hij naar Atjeh vertrok, tegen een journalist van een Indische krant, de woorden: "Ik ga niet met verlof naar Europa voordat ik de bendeleider Tjoet Ali heb". Volgens de schrijver voor het periodiek: "Gosenson had een vastberaden trek om zijn mond. En de eigenaardige schitteCBG01 007398 Uring in de doordringende blik, waaruit zoveel mooie mannelijke eigenschappen spraken, verzekerden ons dat hij het meende." Gosenson fungeerde  op deze wijze in september 1927 opnieuw als commandant van een patrouille  die de bendeleider Si-Dawat wist te overmeesteren, waarbij blanke wapens in Nederlandse handen vielen.  

Eerder (in mei 1927) gelukte het de manschappen tijdens een tocht door Tapatoean en Kloeëtsche de rebel Tjoet Ali en  drie van zijn volgelingen onschadelijk te maken.  Op succesvolle wijze leidde Gosenson aldus meerdere expedities in Atjeh. Voor deze verrichtingen werd hij bij Koninklijk Besluit van 2 november 1927 nummer 29 benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde. De Menadonese sergeant bij het Korps Marechaussee P. Pontoh werd bij hetzelfde besluit en voor eendere verrichtingen eveneens begiftigd met het kruis der Militaire Willemsorde; de Europese sergeant D. Kars ontving een Eervolle Vermelding.

Omdat Gosenson inmiddels zes jaar ononderbroken als officier dienst had gedaan verkreeg hij een verlof van acht maanden naar Europa, dat inging op 1 mei 1928. Op 28 december 1927 vertrok hij derhalve met het stoomschip Prins der Nederlanden naar het Vaderland, waar hij op het Malieveld in Den Haag tot ridder in de Militaire Willemsorde werd geslagen in het bijzijn van officieren van het Indische leger, andere ridders in de Militaire Willemsorde en buitenlandse militaire attaché's.  Generaal-majoor E.F. Insinger hield de plechtige toespraak, terwijl de troepen defileerden.

Zuider- en Oosterafdeling van Borneo

Gosenson keerde in de zomer van 1928 met de Sibajak terug naar de Oost, waar hij eerst werd ingedeeld bij het negentiende bataljon infanterie te Malang en  een paar maand later bij het dertiende bataljon te werk werd gesteld. In 1930 volgde een overplaatsing bij het achtste bataljon infanterie te Malang, waar hij zich zeer geliefd maakte, onder meer in het militaire sportleven.  Het jaar daarop, in februari 1931, wisselde hij weDe Boom te Bandjermasiner van bataljon en kreeg nu het commando over het vijftiende bataljon te Bandoeng.

Gosenson werd met ingang van 2 september 1931 bevorderd tot majoor; hij was inmiddels benoemd tot voorzitter der Technische Commissie inzake het Veertiende Wapenfeest van de Koninklijk-Nederlandse Officiers Schermbond te Djokja. Op vrijdag 2 december 1932 hield hij voor de afdeling Bandoeng van het Indo-Europees Verbond een lezing over het onderwerp: "Het laatste gepleegde verzet aan de Westkust van Atjeh in 1925-1927". Hij trad in dit jaar tevens op als waarnemend commandant van het Tweede Regiment Infanterie te Bandoeng.

In april 1933 werd Gosenson overgeplaatst naar het garnizoensbataljon van de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo. Aldaar volgde hij luitenant-kolonel H. van der Wal in diens functie als militair commandant van de Afdeling op en omstreeks dezelfde tijd werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel. Hij werd het jaar daarop benoemd tot voorzitter van de Vereniging Moed, Beleid en Trouw, afdeling Nederlands-Indië en vierde zijn 25-jarige benoeming tot officier.

Gewestelijk commandant van Atjeh en Onderhorigheden

In deze tijd rommelde het in de legertop. Zo was er veel geruzie over de de afschaffing van de kolonelsplaatsen op Celebes. Voor Gosenson was dit van groot belang omdat men bedacht had dat zijn functie, die van commandant van de Zuider- en Oosterafdeling, een kolonelsplaats behoorde te zijn. Deze zaak was voor hem ook interessant omdat Balikpapan en Tarakan door het aldaar legeren van het zesde en zevende bataljon in de praktijk ranggenotenTram ontspoord na vernieling van de baan van de gewestelijke militaire commandant zouden gaan tellen.

Aldus werd Gosenson in zijn fuctie opgevolgd door kolonel E.A. Steinmetz; hij vertrok eerst op 7 augustus 1935 met vier maanden verlof met de Johan van Oldenbarnevelt naar Nederland en werd bij terugkeer (4 maart 1936)  bevorderd tot kolonel en benoemd (31 mei 1936)  tot gewestelijk militair commandant van Atjeh, als opvolger van kolonel Bongers. In een kernachtige toespraak eiste Gosenson tijdens de overdracht de medewerking op van de officieren, onderofficieren en manschappen en verklaarde daarna het militair commando van Atjeh en Onderhorigheden en Sumatra's Oostkust aanvaard te hebben.

Tijdens zijn bewind vond in februari 1937 een incident plaats waarbij in de pasanggrahan van Pendeng door een Gajoër een gewapende aanslag werd gepleegd op kapitein A.L. Gortmans, controleur van de onderafdeling Gajoe Laoeëus (Blangkedjeren). De dader sprong de volgende dag tijdens het transport in een ravijn en was op slag dood. De wandaad had volgens Gosenson geen politieke achtergrond. Ter gelegenheid van de verjaardag van de Koningin werd Gosenson in augustus 1937 benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Aanloop tot de bezetting van Sumatra

In verband met de bijzondere waardering die bestond voor de wijze waarop Gosenson zijn taak als gewestelijk militair commandant van Atjeh en OnderGOsenson inininhorigheden vervulde werd hem verzocht deze functie langer te bekleden en tot januari 1940 aan te blijven. Gebruikelijk was dat men een dergelijke positie slechts drie jaar achtereen vervulde. De bedoeling was dat Gosensor uiteindelijk opgevolgd zou worden door luitenant-kolonel P. Scholten.  Gosenson had te Atjeh een troepenmacht van omstreeks 4.000 man onder zich; daar Atjeh indertijd een bijzondere positie in Nederlands-Indië innam en men aldaar steeds beducht diende te zijn op verstoring van de orde en rust was de positie die Gosenson innam van groot belang.

In februari 1940 gingen er geruchten dat Gosenson van plan was de militaire dienst met pensioen te verlaten. Medio april 1940 vond er te Kota Radja, Atjeh, een grote receptie ter gelegenheid van het dan 50-jarig bestaan van het Korps Marechaussee plaats, die gehouden werd door de legercommandant, generaal G.J. Berenschot. Zowel hij als Gosenson hielden toespraken, waarna een herdenking op de begraafplaats Poetjoet plaatsvond. Mede door de ontwikkelingen op het wereldtoneel bleef Gosenson uiteindelijk langer in functie dan hij waarschijnlijk van te voren gedacht had.

Bezetting van Sumatra door Japan

Vlak voordat het KNIL, onder leiding van generaal H. ter Poorten, op 8 maart 1942 op Java capituleerde had Ter Poorten aan de legerleiding op Sumatra, Timor en Nieuw-Guinea een telegram gestuurd waarin stond dat men de strijd onder alle omstandigheden diende voort te zetten.

De legerleiding op Sumatra bestond indertijd uit generaal R.Th. Overakker (bevelhebber (territoriaal coGosenson MWO 1927mmandant) van de Nederlandse Strijdkrachten op Sumatra),  Gosenson (territoriaal commandant van Atjeh en Sumatra's Oostkust) en luitenant-kolonel J.H.M. Blogg (territoriaal commandant van Sumatra's Westkust). Toen de Japanners landden op Sumatra was het plan van de legerleiding geweest de troepen in het bergland rond de Alas-vallei te concentreren en van daar uit de strijd voort te zetten totdat de Geallieerde tegenaanval plaats zou vinden. Maar slechts een groep onder kapitein J. Dormolen en een onder leiding van eerste luitenant der Marechaussee H. van Zanten gelukte het zich tot respectievelijk april 1942 en maart 1943 te handhaven.

Na de overgave van Overakker werden omstreeks 3.000 manschappen afgevoerd naar krijgsgevangenkampen en Gosenson en Overakker belandden in eerste instantie in de Uniekampong, eerder gebruikt als woonwijk voor contractkoelies van het Algemeen Delisch Emigratie Kantoor te Belawan (Oostkust Sumatra).   Overakker stelde  hier een schriftelijke order, gericht aan de reserve kapiteins K. ten Velde (genie, in het dagelijks leven procuratiehouder) en ir. A.C. Woudenberg (werkzaam bij Waterstaat) op, waarin hij hen belastte met het gezag in de residenties Sumatra's Oostkust en Tapanoeh zodra het Nederlandse gezag weer hersteld zou zijn. Gosenson sprak intussen over de situatie met diverse officieren en onderofficieren over eventuele hulp aan de Geallieerden indien zij zouden landen.

In gevangenschap

Nadat Overakker en kolonel Gosenson op 13 juni 1942 waren afgevoerd naar Formosa kwam tegen deze order verzet van kampcommandant Blogg, die vond dat Ten Velde en Woudenberg zich dan onder zijn bevel dienden te stellen, als zijnde de hoogste in rang. Overakker en Gosenson werden opGosenson 13 juni 1942 overgebracht naar Formosa, waar zij deel gingen uitmaken van de Special Party, een groep van hoge Nederlandse, Britse en Amerikaanse officieren en andere prominenten. Onder hen bevonden zich generaal Ter Poorten, generaal-majoor Scholten, de gouverneur-generaal en anderen.

Aldaar verbleven Gosenson en Overakker gedurende een jaar in diverse kampen, waaronder Karenko, waar zij op 8 september  1942 aankwamen.  Op 3 augustus 1943 werden Gosenson en Overakker van de andere krijgsgevangenen weggeroepen  en kregen het bevel dat zij het kamp (dan kamp Shirakawa) dienden te verlaten.

Gosenson kreeg de order het strikt noodzakelijke te pakken en werd samen met Overakker door de Japanners weggeleid. Hun overige bezittingen moesten generaal Scholten en andere gevangenen inpakken en hen nasturen op Sumatra. Scholten verkeerde hierdoor in de veronderstelling dat de Japanners Gosenson en Overakker wilden gebruiken om een opstand te Atjeh te dempen en vernam pas na de oorlog de ware toedracht. 

Veroordeling en executie

Na afronding van het politionele onderzoek naar de verzetsactiviteiten van Overakker en Gosenson door de Kempeitai in Medan werden de resultaten in oktober 1943 doorgespeeld aan het justitieel departement van het 25ste Leger en werd er opdracht gegeven tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek. Overakker en Gosenson werden overgebracht naar Fort de Kock en verschenen op 12 oktober 1943 voor de Buitengewone Krijgsraad. Eind november werden beiden opnieuw intensief  verhoord, waarbij met nabig 27686031 0 800 525me bij Overakker steeds de order die hij  gegeven had aan Ten Velde en Woudenberg het uitgangspunt vormde.

Gosenson had eerder al de verantwoordelijkheid op zich genomen voor de verzetsdaden van zijn ondergeschikten en werd op dit punt schuldig verklaard. Op 21 december werd aan Overakker de dagvaarding met de bewijslast voorgelegd maar op 31 januari 1944 gaf de vice-minister van oorlog Tominaga Kyoji vanuit Tokyo de opdracht om het proces tegen Overakker en Gosenson op te schorten. 

Beiden werden nu overgebracht naar een apart gebouw bij de Tomi-gevangenis, waar zij tot de rechtszitting zouden blijven. Op 12 augustus 1944 kwam de vice-minister terug op de eerdere opdracht en ordonneerde hij de beklaagden in formele staat van beschuldiging te stellen.

In de vroege morgen van 9 januari 1945, op de 55ste verjaardag van Overakker, vond de rechtszitting plaats. Gosenson en Overakker hadden geen verdediger ter beschikking. Beiden werden schuldig verklaard aan de ten laste gelegde aanklachten en ter dood veroordeeld. Zij kregen de gelegenheid nog een laatste brief aan hun familie te schrijven en nog dezelfde dag, op 9 januari 1945, werden Overakker en Gosenson op Tandjoeng Gadai, een heuvel zeven kilometer van Fort de Kock, door middel van een vuurpeloton geëxecuteerd. Zij werden om 13.17 als gevolg van een schotwond door het hoofd doodverklaard. Hun lichamen werden in kisten op de heuvel begraven.

Laatste brief van Gosenson

Op de morgen van zijn dood schreef Gosenson aan zijn echtgenote: "Fort de Kock, 9 januari 1945. Mijn liefste Desie, dit zal het laatste nieuws zijn dat je van mij zult horen. Ik zeg je hierbij "vaarwel". Zorg verder goed voor Ineke. Vicje en je moeder. Ik hoop dat je mijn geld en goederen, die ik hierbij sluit, toegezonden zult krijgen. Ik heb mijn plicht als officier gedaan. Adieu, groet en zoen aan Ineke, Vicje en je moeder van mij en wees in gedachten door mij voor het laatst omhelsd en gezoend. Je zo liefhebbende Vic. (w.g. G.F.V.Gosenson, kolonel)" 

Herbegrafenis

In 1950 werden te Tandjonggadai, nabij Bukit Tinggi (Fort de Kock), graven en massagraven van door de Japanners geëxecuteerde oorlogsslachtoffers gevonden. Men was in staat de stoffelijke overschotten van generaal R.Th. Overakker, Gosenson, reserve kapitein G.J. Boekennogen en eerste luitenant H. van Zanten te identificeren.

Zij werden, op verzoek van familieleden, in mei 1950, in het bijzijn van luitenant-generaal D.C. Buurman van Vreeden, commandant der Nederlandse Strijdkrachten in Nederlands-Indië,  herbegraven op het ereveld aan de Padang Boelandwe (Ereveld Antjol).

Decoraties

  • Ridder Militaire Willemsorde (1927)
  • Eervolle Vermelding (1917)
  • Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met twee gespen
  • Officier in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden (1937)
  • Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier

Zie ook


 

[ Terug ]

 

 

f t