Bultzingslowen Gunther1111111


Günther von Bültzingslöwen was een Duits koopman, welgesteld landheer, consul te Soerabaja en kolonel der Schutterij. Hij stond in hoog aanzien bij het Indische leger vanwege zijn verrichtingen in dienst van het Rode Kruis tijdens de tweede expeditie naar Atjeh, waarvoor hij onder meer onderscheiden werd met de Militaire Willems-Orde en met de eretitel eerste flankeur van het Indische leger.


 Vroege jaren

In dienst van het Rode Kruis

De tweede expeditie naar Atjeh

Onthulling van een monument voor Von Bültzingslöwen te Soerabaja in 1890

Onderscheidingen en eerbetoon

Latere leven en neergang

Overlijden en herdenking

Monument

De persoon Von Bültzingslöwen

Tijdgenoten over Von Bültzingslöwen

Gedicht ter ere van Von Bültzingslöwen


Vroege jaren

Günther von Bültzingslöwen (Lübeck, 14 december 1839 - Berlijn, 21 augustus 1889) werd geboren in een oude Thüringsche familie van officieren. Zijn vader was luitenant-kolonel en militair commandant van Lübeck, dat door de oorlogeBueltzingsloewen 1860n, die Duitsland eeuwenlang teisterden, zijn bezittingen grotendeels verloren had zien gaan. Hij volgde het gymnasium te Lübeck. Toen hij 19 jaar oud was werd hij in Hamburg aangenomen op een handelskantoor. Het duurde echter niet lang, of dat eentonige leven begon hem tegen te staan. Hij vertrok naar Indië en om de reis te kunnen betalen monsterde hij aan als matroos op een boot daarheen.

Von Bültzingslöwen stichtte in 1868 te Soerabaja een eigen firma. Hij werd benoemd tot consul, eerst van Pruisen en later van het Duitse Rijk en werd ook consulair agent van de Verenigde Staten. In het voorjaar van 1870 keerde hij naar Duitsland terug om zijn ouders te bezoeken. Toen van de Franse stomer, waarop hij de reis maakte, een matroos overboord sloeg bedacht hij zich geen moment maar sprong de man achterna. Het duurde in de duisternis meer dan een uur voor men hem en de drenkeling gevonden en weer aan boord gehaald had.

In dienst van het Rode Kruis

Tijdens de Frans-Duitse Oorlog van 1870 sneuvelde Von Bültzingslöwen's jongste broer in de Slag bij Mars-la-Tour. Hij had die broer gesteund in zijn carrière als officier. Zelf kon hij in die dagen van gevechten niet rustig thuis blijven en daarom sloot hij zich aan bij het Rode Kruis. In dienst hiervan geraakte hij tot vóór Parijs. Toen hij in het najaar van 1871 naar Soerabaja terugkeerde redde hij en passant op de rede van Batavia een Franse actrice, die bij het overstappen in zee was gevallen.

Terug in Indië stortte hij zich op zijn zaken in de suikerindustrie, die toen een bloeitijd doormaakte. Hij werd eigenaar van grote suikerfabrieken te Djabong, Bagoe, Perning, Bandjardawa en Pesantren. Daarnaast was Von Bültzingslöwen te Soerabaja chef van een aanzienlijk handelshuis. Toch verzocht hij in 1873 Levyssohn Norman hem mee te nemen met de tweede expeditie naar Atjeh, hetzij als officier der schutterij, hetzij als gedelegeerde van het Rode Kruis. Het laatste gelukte en in 1873 ging Von Bültzingslöwen met de staf van de expeditie scheep naar Atjeh.

De tweede expeditie naar Atjeh

Het hoofdcomité van het Rode Kruis meldde in een verslag van 25 september 1889: "Von Bültzingslöwen werd aangewezen als medegedelegeerde van het Rode Kruis, vertrok als flankeur bij het veertiende bataljon en verlieGunther Von Bultzingslowen met het t daardoor tijdelijk het standpunt, dat hij in de maatschappij te Soerabaja innam, om het liefdewerk van het Rode Kruis te steunen, en te tonen wat een heilige roeping vermag. In een nota, kort voor zijn afreis geschreven, zei hij - en dit kenschetst zo geheel het karakter van de man, die wij thans zo diep betreuren - onder andere:

Het Rode Kruis - wij hebben dit in de laatste jaren in Europa gezien - stelt zich niet alleen ten taak versnaperingen en voorwerpen te verstrekken, die de krijgsman te velde anders onmogelijk verkrijgen kan, - van even grote waarde is het gewonden en zieken troost toe te spreken, zijn grieven aan te horen, en hem in treurige ogenblikken afleiding te verschaffen.

Hoe dikwijls triomfeert de gezonde ziel over het gewonde lichaam, terwijl de treurende en weemoedige geest het lichaam ten grave sleept. Waarom zou onze krijgsman aan de stranden van Atjeh een troost moeten missen, die op de slagvelden van Frankrijk zo menig brandende wond kon verzachten, zo menig doodstrijd heeft verlicht? Het goede blijft overal goed; in Oost en West, in Indië of in Europa; wonden en ziekten branden of smarten overal."

 Onthulling van een monument voor Von Bültzingslöwen te Soerabaja in 1890.

Volgens het verslag van het centraal comité liet Von Bültzingslöwen het niet bij woorden maar toonde het ook in daden. Een ooggetuige die, zelf gewond in een der vele bloedige gevechten, naar het hospitaal te Padang overgebracht moest worden, gaf een kort relaas van hetgeen hij persoonlijk had gezien: "Bij elk gevecht - zei hij - bij elk gevecht vond men Von Bültzingslöwen, niet om mee te doen, maar, om, zoals zijn betrekking meebracht, de gewonden van onder het vijandelijk vuur weg te voeren naar de ambulance, heVon Bultzinglowen RMWOn met een versterkende teug te laven en de geneesheer te helpen met het aanleggen van het eerste verband. Alles wat hij gedaan heeft, is boven mijn lof verheven.

Er is maar één stem in het gehele leger voor Atjeh, zowel in hoge als in lagere kringen, over zijn verdiensten. Een meer waardig vertegenwoordiger had het Rode Kruis moeilijk kunnen vinden. Een ieder kent hem als een edel mens in de ruimste opvatting van het woord." Als er niet gevochten werd hielp Von Bültzingslöwen in de ambulances of in het bivak de zieken en gewonden. Hij was bovendien belast met de verdeling van tabak, sigaren, pijpen en andere artikelen van het Rode Kruis, een moeilijke en niet altijd aangename taak.

Het oordeel van legerhoofd luitenant-generaal Van Swieten, militair opperbevelhebber, tevens civiel regeringscommissaris bij de tweede expeditie naar Atjeh, luidde: "Bij alle gevechten is hij (Von Bültzingslöwen) tegenwoordig en schroomt hij niet hulp te verlenen, niet zelden onder het vijandelijk vuur. Hij was er nu eens om een eerste verband te leggen, dan om uit zijn voorraad lafenis te geven, altijd en overal, om te doen wat mogelijk was." Er werd bij wijze van bijzonderheid over Von Bültzingslöwen verteld, dat bij hem te Atjeh het horloge in zijn vestzak werd stuk geschoten en dat hij aan dat horloge die dag het behoud van zijn leven te danken had. Von Bültzingslöwen keerde na afloop van de expeditie naar Java terug en bracht, om wat op zijn verhaal te komen, een maand bij zijn vrienden te Buitenzorg door.

Onderscheidingen en eerbetoon

In mei keerde hij naar Soerabaja terug. Er viel hem een triomftocht te beurt waaraan zowel ambtenaren, officieren, soldaten als burgers deelnamen. Hij werd "Eerste flankeur van het Indische Leger" genoemd en kreeg bij Koninklijk Besluit van 6 oktober 1874 nummer 10 de Militaire Willems-OnthullinggedenktekenGunthe kopieOrde. Von Bültzingslöwen bracht daarna zoveel mogelijk tijd in het Ardjoeno-gebergte door of verbleef in alle eenzaamheid in zijn landhuis. Hij tuinierde daar en las veel - Deutsche Kulturgeschichte was zijn geliefde lectuur - en dacht na over de natuur en het menselijk leven.

Toen Levyssohn Norman in het najaar van 1874 een paar weken op een naburige landhuis doorbracht, zagen zij elkaar dagelijks. Von Bültzingslöwen vertelde hem vaak over zijn belevenissen in Atjeh. Toen de Javaanse Courant het nieuws bracht van zijn benoeming tot ridder in de Militaire Willems-Orde was zijn enige reactie: "en Luymes dan?"  Dat die hoofdofficier voor het veroveren van Kota Potjoet niet deze hoge onderscheiding had gekregen, bedierf al zijn vreugde.

In Indië kon Von Bültzingslöwen na zijn Atjehnese ervaringen onvoldoende rust vinden, hij vertrok dan ook in 1875 weer naar Europa en verbleef bij zijn ouders, die naar Dresden verhuisd waren. Keizer Wilhelm, die van zijn daden in Atjeh gehoord had, ontbood hem vervolgens naar Berlijn, en stak hem eigenhandig het lint van het IJzeren Kruis, waaraan de Kroonorde gehecht was, op de borst. Deze onderscheiding was voor de gelegenheid door de keizer zelf uitgedacht. De Koning van Beieren vereerde hem met de Orde van de Heilige Michaël. Ook kroonprins Friedrich gaf hem blijken van grote genegenheid.

Latere leven en neergang

In augustus 1876 keerde Von Bültzingslöwen te Soerabaja terug, waar het Indische Leger hem een kostbaar zilveren ereblijk aanbood. Datzelfde jaar werd hij bij Koninklijk Besluit benoemd tot erelid van het Nederlandse Rode Kruis. De Nederlandse Minister van Koloniën bepaalde in 1875 dat Von Bültzingslöwen in het bezit moest worden gesteld van het Ereteken voor B1024px Günther von Bültzingslöwen Familiengrab Dresdenelangrijke Krijgsbedrijven met de gesp Atjeh 1873-1874 en van de Atjeh-medaille.

Na al dit eerbetoon kocht Von Bültzingslöwen het niet ver van Soerabaja gelegen landgoed Ngagel met de daarop gelegen suikerfabriek en vestigde zich daar. Aan de Soerabaaise schutterij bleef hij echter trouw en jarenlang stond hij met de rang van luitenant-kolonel (benoemd in juli 1879) aan haar hoofd. In december 1883 vertrok hij naar Europa om zijn zwaar zieke moeder nog een laatste keer te zien. Zijn vader was het jaar tevoren reeds overleden.

Hij keerde nooit weer naar Indië terug. De rest van zijn leven verdeelde hij zijn tijd tussen Berlijn, Dresden en Nederland. Hij woonde in slot Biesdorf, dat hij echter later als gevolg van financiële problemen moest verkopen aan Werner von Siemens.  Door de crisis in de suikerindustrie gingen de zaken slecht, waardoor hij zijn laatste levensjaren in grote zorgen doorbracht.

Overlijden en herdenking

Die zorgen vormden mogelijk de oorzaak van een hartziekte, waarvan hij de verschijnselen hij voor reumatiek aanzag. Pas toen hij vier weken vóór zijn overlijden, aan een feestmaal in Den Haag, plotseling flauwviel, besefte hij de ernst van zijn kwaal. Wie hem daarna naar zijn gezondheid vroeg, gaf hij ten antwoord: "Ik ben een stervend man! Was ik maar in Holland komen wonen! DatAfbeeldingmonument gunther had mij veel leed bespaard!" Hij bracht in de maand juli nog enige dagen in Nederland door en overleed op 21 augustus 1889 te Berlijn als gevolg van een hartinfarct. In een poging een trein nog te halen was hij de trappen van een spoorwegstation opgerend en op het perron ineen gezakt.

Nog geen vijftig jaar oud geworden werd hij te Dresden op kerkhof Alter Annenfriedhof in een familiegraf bijgezet.Op 27 november 1892 vond te Soerabaja de onthulling plaats van het monument voor Von Bültzingslöwen. Militaire en burgerlijke autoriteiten waren in grote getale aanwezig. De schutterij was vertegenwoordigd door de tweede compagnie, evenals de infanterie en de artillerie. In een toespraak door luitenant kolonel Fabius van het Indische leger werd het leven van Von Bültzingslöwen herdacht, die geschetst werd als een self made man wiens enige streven het was de mensheid te dienen.

Het monument legde volgens Fabius getuigenis af van de samenwerking tussen leger en burgerij. Fabius eindigde zijn toespraak met de woorden: Verhaal het uw landgenoten, mijnheer de consul van het Duitse Rijk, hoe wij uw landgenoot hulde brengen; zeg hem dat wij weten te waarderen, ook in de vreemdeling, wat edel is en goed. Hierop bood de spreker de resident het monument aan, die het aanvaardde en het vertrouwen uitsprak dat zijn opvolgers zijn voorbeeld zouden volgen.

Monument

Het monument was geheel uit grijskleurig graniet, later gepolijst, gehouwen in de steenhouwerij van A. van Roon en bestond uit een breed vierkant voetstuk, geornamenteerd aan de bovenhoeken, waarop zich een zuil of obelisk verhief. Op de voorzijde van de zuil stond, in gegoten metaal, het borstbeeld in medaillon van Von Bültzingslöwen en aan de achterzijde was het kruis van de Militaire Willems-Orde gebeiteld.

Op de sokkel gaf een afgietsel van brons een voorstelling van Von Bültzingslöwens toewijding aan de gewonde krijgsman. Hij zat op het reliëf bij een op het strijdveld zwaar gewonde achtergelaten soldaat die hij, terwijl hij de gewonde met de ene hand het hoofd ophief, met de andere lafenis en hulp bood. Hierboven stond in vergulde letters: G. von Bültzingslöwen gebeiteld, en op de achterzijde van het voetstuk stond te lezen: Hulde van leger en burgerij.

De persoon Von Bültzingslöwen

Meerdere malen zei Von Bültzingslöwen tegen Levyssohn Norman: "U zult het zien, dat het vroeg of laat nog eens mis met mij loopt. De Bültzingslöwens zijn voor militair, niet voor koopman in de wieg gelegd!" Levyssohn Norman hoorde hem zeggen tot iemand, die maar niet begrijpen kon, dat een moeder troosteloos was over het verlies van haar kindje van nogtelegram van Gunther von Bultzingslowen aan Gotfriet Coenraad Ernst van Daalen2 maar zes weken: Für eine Mutter ist ein Kind nie nur sechs Wochen alt; es ist, wenn sie es verliert, die ganze comprimierte Hoffnung, die sie begräbt."

Hij was moedig tot roekeloos. Men vertelde over hem, dat hij zijn moeder schrik aanjoeg toen hij als knaap op de toren van de Lübeckse Dom aan een balk zweefde om een valkennest uit te halen. Ook was het bekend, dat hij in zijn jonge jaren herhaaldelijk een kind uit het water redde. Hij hield van water en zijn meest geliefde bezigheid was eenzaam in een bootje op zee rond te zwalpen, ondanks weer en wind. Ook hield hij van de jacht; toen hij nog maar een jongen was joeg hij al mee. Hij schoot zich eens midden door de linkerhand, maar verborg dit voor zijn strenge vader.

Kort voor zijn dood vertelde hij Levyssohn Norman, dat hij op al zijn omzwervingen in het Ardjoeno-gebergte - hij ging er steeds alléén op uit, met niets anders dan zijn jachtgeweer - nooit een tijger of een ander wild dier ontmoet had en hem ook nooit wat overkomen was, als hij op die tochten onder de open hemel lag te slapen.

Von Bültzingslöwen liet uit Soerabaja in 1876 en 1877 reptielen, schelpen van weekdieren, koralen en andere dieren uit Celebes en andere eilanden van de Indische archipel naar Lübeck verschepen, die later een belangrijk bestanddeel van de verzameling van het museum aldaar zouden vormen. De vogels werden beschreven door de toenmalige conservator H. Lenz in 1877 in het Journal für Ornithologie.] Ook het Natuurhistorisch Museum te Leiden kreeg van hem in 1884 zeldzame exemplaren uit de vogelwereld van Oost-Java.

Tijdgenoten over Von Bültzingslöwen

Dat Von Bültzingslöwen uniek werk verrichte, in dienst van het Indische Rode Kruis, kan onder meer afgeleid worden uit de kritiek, in 1905 geleverd, op de werkzaamheden van het Rode Kruis, namelijk dat het Indische Rode Kruis zicMonument Gunther von Bultzingslowen kopieh tot dan in haar hulp had beperkt tot het zenden van geld en verplegingsmaterieel en dat het slechts stoffelijk en nooit persoonlijk hielp. Aan het einde van de kritiek wordt gemeld: Ja toch, één enkele maal is een vrijwillige ziekenverpleger van het Indische Rode Kruis mede te velde getrokken. Von Bültzingslöwen, de eerste flankeur van het Indische leger, die gezond en wel van het slagveld terugkeerde, en aan wiens humane daad het monument te Soerabaja herinnert.

Generaal J. van Swieten meldt in zijn dagorder van 20 april 1874: "Zij, die tot het Rode Kruis behoren (d.i.Von Bültzingslöwen), hebben die instelling bij het leger lief doen hebben."

A.S.H. Booms, eerste luitenant tijdens de tweede Atjeh-oorlog, schreef: "Toen zag men daar in burgerkleding bij elk gevecht dat geleverd werd, in flinke sportkleding, voor mogelijke gevallen een revolver in de gordel dragende, voorzien van een verbandtas en van verre gevolgd door een paar inlanders, die aan draagstokken bamboekokers gevuld met zuiver water, flessen met verfrissende dranken en mandjes verkoelende vruchten droegen. Die burger was altijd in de voorste gelederen en daar waar het hevigste gevochten werd, want daar vielen de meeste slachtoffers en daar was zijn hulp het meeste nodig".

J.A. Kruit, officier van de administratie bij de marine tijdens de tweede Atjeh expeditie, schreef: "Slechts één woord van lof was er over de uitstekende diensten van het Rode Kruis onder de onvermoeide en dappere Soerabaaise koopman G. von Bultzingslöwen. Hij was de afgod van de legermacht; officieren en soldaten vereerden en beminden hem om het zeerst. Hij droeg de eretitels van eerste fuselier der expeditie en ridder van het Rode Kruis omdat hij even dapper gedurende het gevecht de wapens wist te hanteren, als na de strijd lafenis en hulp te bieden."

J.F.D. Bruinsma, eerste luitenant tijdens de tweede Atjeh-expeditie, schreef: "Evenals bij alle andere gevechten, maakte zich ook nu de heer G. von Bultzingslöwen, de gedelegeerde van de vereniging “Het Rode Kruis” weer bijzonder verdienstelijk. Zijn dadBultzingslowen 2en zijn verre boven onze lof verheven. Hoewel zelf bemiddeld, deelde hij geheel vrijwillig de gevaren van de oorlog. Geen commando riep hem daartoe en toch was hij in de tirailleurslinie van het linkerhalf derde bataljon infanterie en wel daar waar de meeste gewonden vielen. Hier legde hij vluchtige verbanden aan, deelde hij verfrissende dranken uit ofwel nam de gewonden zelf op, om hen voorzichtig in de tandoes te leggen. Hij was hier zeker wel de mensenvriend in de meest edele zin des woords."

E.B. Kielstra, majoor der genie tijdens de tweede Atjeh-oorlog, schreef: "Wij mogen dit hoofdstuk niet sluiten, alvorens nog de naam te hebben genoemd van één man, die buiten de genoemden en de troepen de expeditie naar Atjeh vergezelde, n.l. van de gedelegeerde van het Rode Kruis, de heer G. von Bultzingslöwen. Hoe deze zich van zijn moeilijke taak heeft gekweten is algemeen bekend; Zijne Majesteit de Koning beloonde hem met het ridderkruis der militaire Willems-Orde, en het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger eert hem, als de dappere vertegenwoordiger van ware mensenmin."

Gedicht ter ere van Von Bültzingslöwen

In de Java-bode verscheen in juni 1876 het volgende Franse gedicht, opgedragen aan Von Bültzingslöwen:

Soyez le bienvenue dans notre cité,  

Dans laquelle nous désirons avec impatience  

La présence d'un héros de l'humanité,  

Pour lui témoigner notre profonde révérence.  

Lorsque les soldats bravarent fatique et misère,  

En combattant à Atchin pour notre pays et l'honneur,

Le devoir leur éloignait d'une epouse, d'une mère.  

Vous étiez là! comme un ange protecteur.  

Que Dieu vous comble de joie et de bonheur!  

Que ton Paradis soit plus tard votre demeure,  

Après des actes de vertu et de générosité,  

Votre digne nom brillera dans éternité.


 

[ Terug ]

f t