geneeskundige troepen 163


Zie ook het fotoalbum. In de Historische Verzameling Geneeskundige Troepen der Landmacht is een expositie aan De Mooy gewijd. 


Vroege jaren

Cornelis de Mooy (Middelburg, 10 maart 1834 - Den Haag, 20 juni 1926) was een Nederlands officier van gezondheid, arts en uitvinder. De Mooy, zoon van een civiel arts, eerder officier van gezondheid der eerste klasse van het Indische leger, werd in 1853 aangesteld als kwekeling op de Rijkskweekschool voor militair geneeskundigen te Utrecht en op 4 juli 1857 benoemd tot officier van gezondheid der derde klasse. 

Al in 1862, toen hij als officier van gezondheid derde klasse te Haarlem was geplaatst, deed hij zijn eerste uitvindingen, waaronder een buigzame slokdarmtang, om vreemde voorwerpen uit slokdarm en maag te verwijderen, en een kogeltang om kogels uit diepe wonden te halen.  De Mooy werd overgeplaatst naar achtereenvolgens Middelburg en Gouda en in oktober 1862 bevorderd tot officier van gezondheid der tweede klasse. 

Diverse overplaatsingen en uitvindingen

Na een overplaatsing naar Maastricht construeerde De Mooy tussen 1866 en 1870 verschillende andere medische hulpmiddelen, zoals een hechtnaald en een draadvoerder. Zijn inzending van een ontwerp voor een hangmat-raderbaar tot vervoer van gewondeMooijn werd in september 1869 bekroond met een gouden medaille en bij die gelegenheid ontving hij tevens een zilveren medaille voor zijjn heelkundige instrumenten.

Beide bekroningen geschiedden door de Nederlandse Vereniging tot het Verlenen van Hulp aan Zieke en Gewonde Krijgslieden in Tijden van Oorlog. 

De Mooy werd in het voorjaar van 1873 gedetacheerd aan 's Rijks Hospitaal te Utrecht, waar hij studeerde voor zijn aanvullingsexamen, benodigd om tot officier van gezondheid der eerste klasse te worden bevorderd.  

Datzelfde jaar verkreeg hij in Parijs, samen met kolonel baron Van Tuijll van Serooskercke, de medaille du Mérite voor de door hen uitgevonden brancard. Dat was tijdens het concours van La Société Française de Secours aux Blessés Militaires.

Het jaar daarop werd De Mooy bevorderd tot officier van gezondheid der eerste klasse en bij Koninklijk Besluit in april 1874 voor de duur van vijf jaar gedetacheerd bij het leger in Oost-Indië. 

Activiteiten in de Oost

De Mooy werd eerst bij het Militair Hospitaal in Weltevreden geplaatst, in januari 1875 gedetacheerd bij het Groot Militair Hospitaal te Soerabaja en in augustus 1876 bgeneeskundige troepen 097ij de Geneeskundige Dienst Palembang overgeplaatst. 

In november 1877 keerde hij terug naar het Hospitaal in Weltevreden om in januari 1878 te Atjeh te worden geplaatst, waar indertijd generaal van der Heijden actief was de orde te herstellen na de puinhopen die waren ontstaan door verkeerd beleid na de tweede expeditie naar Atjeh.  

Grote faam verwierf De Mooy met het ontwerp van zijn hangmatraderbaar of lechophore. Het toestel kon zowel in het leger te velde als in ziekenhuizen gebruikt worden. Het was ontworpen om de patiënt gedurende het vervoer, vooral ook over minder begaanbaar terrein, geneeskundige troepen 111minimaal te belasten.

Tevens had de constructie het voordeel dat er minder personeel vereist was dan bij een draagbaar. In het jaar 1878 nam De Mooy onder generaal Van der Heijden deel aan de expedities naar Lokon en Segli (Telok), waar hij voor de eerste keer gebruik maakte van door hem ontworpen antiseptische verbanden. 

De Mooy trachtte, naar aanleiding van zijn ervaring met het verbinden van gewonden tijdens een expeditie, uit te vinden wat de wonden, onder de slechtste omstandigheden, tegen de dodelijke invloed van vuile vingers of onreine verbanden zouden kunnnen beschermen. Aldus vond hij gesteriliseerde (antiseptische)  koordverbanden uit, waarmee in alle omstandigheden gewerkt kon worden.

Daarnaast ontwierp De Mooy in deze tijd op Atjeh het rotanverband en deed hij diverse uitvindingen als het gebruik van bamboe voor het bouwen van hospitaaltenten en het fabriceren van pisang bladschede als steun voor gebroken ledematen.

Op 1 april 1879 keerde De Mooy naar Nederland terug, waar hij te werk werd gesteld in het garnizoenshospitaal van Amsterdam. Voor zijn verrichtingen te Atjeh kreeg hij in april 1882 het Ereteken voor Belangrijke Krijgsverrichtingen met de gesp Atjeh 1873-1880 toegekend.

Dr. C.L. van den Burg, militair arts,  schreef in zijn werk "De geneesheer in Nederlands-Indië" (1882), uitgegeven door de Nederlandse Vereniging tot Bevordering der Geneeskundige Wetenschappen: "De rotanmatten zijn door de officier van gezondheid C. de Mooy tot uitstekende verbandstukken gemaakt."

Activiteiten in Nederland 

Tijdens de Wereldtentoonstelling in Antwerpen in september 1885 ontving De Mooy voor zijn verdienstelijke uitvindingen een gouden medaille. Al eerder dat jaar was hij titulair bgeneeskundige troepen 171evorderd tot majoor (dirigerend officier van gezondheid der derde klasse).

Drie jaar later werd De Mooy bevorderd tot dirigerend officier van gezondheid der tweede klasse en van Deventer naar Amersfoort overgeplaatst, waar hij was benoemd tot chef van het Militair Hospitaal. 

Bij Koninklijk Besluit van 10 mei 1889 werd De Mooy benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en het Comité-Generaal der Veiligheidstentoonstelling te Amsterdam kende hem in augustus 1890 het erediploma voor zijn ontwerpen toe.

De Mooy werd op zijn aanvraag op 1 mei 1891 in de rang van dirigerend officier van gezondheid der eerste klasse op pensioen gesteld, wageneeskundige troepen 330arna hij verder ging met het ontwerpen van medische hulpmiddelen. 

In een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde genaamd; "Over de toepassing van de grote besparing van lichaamskracht en de daaruit volgende grote besparing van tijd, ruimte, personeel en kosten bij het vervoer van lijders of vrachten op tweewielige voertuigen" beschreef hij onder meer de werking van zijn raderbaar uit 1867 en gaf een overzicht van zijn stelsel, de uitkomsten die het had opgeleverd en de verwachtingen die hij er in de toekomst van koesterde. 

De Mooy werd benoemd tot lid van de hoofdcommissie van het Nederlandse Rode Kruis en nam in die functie in 1897 deel aan de Zesde Internationale Conferentie van de Rode Kruisvereniging, die in Wenen gehouden werd. De raderbaar van De Mooy werd intussen, in 1898, ook bij de politie in dienst gesteld. 

Latere loopbaan

De Indische Gids wijdde in 1899 een artikel aan De Mooy, wiens medische uitvindingen, als de koordverbanden, in dat jaar ook gebruikt werden tijdens de expeditie naar geneeskundige troepen 122Pedir.  Het Genootschap ter Bevordering der Natuur- Genees- en Heelkunde te Amsterdam besloot in november 1900 met algemene stemmen aan De Mooy de Tilanusmedaille uit te reiken voor diens verrichtingen op het gebied van de chirurgie. 

In 1900 werd De Mooy benoemd tot corresponderend lid van de Société de Chirurgie te Parijs. Dat was mede naar aanleiding van de door hem uitgevonden hechtnaalden, die intussen zowel in Nederland als Frangeneeskundige troepen 160krijk bij de geneeskundige dienst in gebruik waren genomen. 

De Mooy werd benoemd tot erelid van de Nederlandse Vereniging van Spoorwegartsen en verkreeg bij  Koninklijk Besluit van 7 juni 1905 nummer 115 de Militaire Willemsorde voor zijn verrichtingen te Atjeh in 1878 en dan met name voor zijn gehouden gedrag tijdens de gevechten ter vermeestering van de vijandelijke versterking Telok Kadjou. De onderscheiding werd uitgereikt op het Malieveld, voor het front der troepen. 

In 1912 werd De Mooy titulair bevorderd tot generaal-majoor en twee jaar voor zijn dood (10 maart 1924, ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag)  tot luitenant-generaal titulair. De Mooy was toen en tot het einde van zijn leven woonachtig in de Weimarstraat in Den Haag. 

Hij overleed na een ziekte van een aantal weken in juni 1926 in de leeftijd van 92 jaar. Naast de al genoemde onderscheidingen bezat De Mooy de Rode Kruis Medaille, was hij commandeur in het Legioen van Eer  en erelid der Vereniging van Ridders in de Militaire WIllemsorde. 

Belangrijkste ontdekkingen van De Mooy

  • Antiseptisch koordverband. De Mooy ging er van uit dat wonden onder geen enkele omstandigheid door vuile vingers of onreine verbanden mochten worden besmet. Hij ontwierp een koordje, dat de twee meest benodigde verbandstoffen (hydrofiele watten en hydrofiel gaas) en een papiertje, dat deze twee tegen besmetting moest vrijwaren, tot een tevoren gereed gemaakt verband verenigde. Deze gesteriliseerde koordverbanden werden in hermetisch gesloten trommeltjes bewaard en voor de aanwending ter plaatse zelf met sublimaat-oplossing of jodoformpoeder ontsmet. 
  • Raderbaar. Dit systeem berustte in beginsel op een dan geheel nieuw stelsel, gegrond op het brengen van de vracht in een volkomen evenwicht, waardoor de grootste besparing van beweegkracht kon worden verkregen bij het verplaatsen van lijders, levensmiddelen, munitie, enz, terwijl de horizontale en verticale schokken getemperd werden door de toepassing van zijn perpendiculaire veerkrachtige suspensiemethode. Op deze wijze kon een enkele man een vracht van 225 kilogram (zieken of munitie) urenlang alleen voortduwen en verving men hiermee de paarden die eerder benodigd waren. 
  • Rotantransportverband. Hiermee kon men beenbreuken direct in het veld verbinden. 
  • Tent-abri. Een constructie die op alle soorten brancard toepasbaar was beschermde de zieke tegen zon en regen.
  • Draagbare pyramidetent. De tent woog slechts 25 kilogram en zorgde voor een onmiddellijk dak boven de zieken en gewonden. 
  • Diverse andere uitvindingen waarvan nog de ontwerptekeningen resten.  

Zie ook:

 Publicaties

  • 1873. Over het snel en doelmatig vervoer van zieken en gewonden, zowel in tijd van vrede als in tijd van oorlog. Nieuwendiep.
  • 1880. Bandages de transport-rotang. J.H. de Bussy. Amsterdam.
  • z.j. Herinneringen aan mijn verblijf te Atjeh. Haarlem.
  • 1991. H. den Hartog. Dissertatie. De militair geneeskundige verzorging in Atjeh, 1873-1904. Thesis Publishers. Amsterdam.
  • 1902. A.S.H. Booms. Neerlands krijgsroem in Insulinde. W.P. van Stockum en Zoon. Den Haag.
f t