Verstege


Foto van Verstege met dank aan Frederique Gentis


Vroege loopbaan

Verstege volgde de Koninklijke Militaire Academie en werd op 11 juli 1856 benoemd tot tweede luitenant voor het leger in Oost-Indië. Hij vertrok op 22 december van dat jaar als medebegeleider van een detachement suppletietroepen (110 onderofficieren en manschappen), onder commando van eerste luitenant Hamakers, met de Eline Susanna naar Indië. Andere medebegeleiders waren tweede luitenant J.N. Maquine en officier van gezondheid derde klasse H.G. Bakker.

De 12de, ’s avonds om 8 uur kwam soldaat Grune de commandant waarschuwen dat er binnen het detachement (17 Nederlanders en niet meer dan 93 vreemdelingen) plannen waren gesmeed en dat een opstand binnen een uur zou uitbreken; de officieren, gezagvoerder en verder allen die zich zouden verzetten zouden vermoord worden; de opstandelingen zouden vervolgens, meester van schip en lading, koers zetten naar de Zuid-Amerikaanse havens.

De opstand werd gebroken en in zijn verslag prees de commandant in het bijzonder de ijver en het moedige gedrag van tweede luitenant Verstege; aan hem, onder andere, zo schreef hij, hebben wij, naast God, niet alleen ons leven, maar ook het behoud van schip en lading te danken.

Expeditie naar de Zuider en Oosterafdeling van Borneo

Verstege werd na zijn aankomst in Indië geplaatst bij het zevende bataljon. Hij werd vervolgens overgeplaatst bij het negende bataljon met de bepaling dat hij zijn betrekking van adjudant zou continuerVerstege22en bij het elfde. In 1859 werd hij bevorderd tot eerste luitenant en de eerste juni 1859 naar Bandjermasin gezonden, waar de opstand was uitgebroken en moordtonelen van Kalangan en elders, de opstand over een belangrijk deel van Borneo verspreid hadden.

Aanvankelijk door de tochten naar Moening, later door het ongunstige weer opgehouden, kon de chef der expeditie Verspyck pas de 10de december zijn voornemen ten uitvoer brengen om Tanah Laut te onderwerpen. In grote trekken werd het plan gevormd om van drie zijden Tanah Laut in te rukken. Een colonne zou van Martapoera naar Pleiharie, een ander over Talokh het land indringen, terwijl een gewapende barkas langs de rivier van Sawarangan zou opereren.

Verschillende strijdhandelingen

Tot dat doel ging majoor Verspyck aan boord van de Boni met een colonne, sterk 100 bajonetten (onder Graas), een 3 ponder en een handmortier met bediening (onder Borel), een detachement van 7 sappeurs en honderd kettinggangers (onder voorman Koeler).

’s Morgens om 8 uur ging men onder stoom en kwam tegen half drie ter hoogte van Talokh1. ZM Stoomschip Celebes in gevecht met een Kota Mara 6 aug 1859 Poeloe Kananat opgenomen. Zware branding en hoge zee maakten het ontschepen echter ondoenlijk. Terugstomend debarkeerde de colonne tegen half zes te Tabanio en rukte, door maanlicht begunstigd, direct langs het strand naar Talokh.

De kampongs Pegattan, Ketjil en Pegattan besaar waren verlaten. Nabij Talokh komend (half 10) zag men in een woning vuur branden; het was bekend dat de vijand hier een wachtpost had. Verspyck zond een sergeant met tien man langs de bosrand vooruit om de woning te omsingelen, en liet tegelijkertijd Verstege aan het hoofd van de voorwacht tot hetzelfde doel langs het strand oprukken, teneinde het ontkomen der vijandige bewoners te beletten.

De insluiting was nagenoeg gelukt, toen een inlandse fuselier door ontijdig te vuren alarm gaf en de bewoners de vlucht deed nemen. Door het Nederlandse kruisvuur bleven drie lijken op de plaats. Binnen de woning vond men enkele geweren, lansen en parangs, naast een kleine voorraad kruit en lood. Voorziend dat de vluchtelingen onmiddellijk te Pleiharie de nadering van de colonne bekend zouden maken, probeerde Verspyck diezelfde nacht nog door te marcheren.

De duisternis onder het zware geboomte en de drassigheid van de bodem belette echter met de 3 ponder door het eerste bosje te dringen. Toen keerde Verspyck naar Talokh terug en liet daar bivakkeren. De volgende dag werd omstreeks 10 uur Benoea Tengah en tegen half 2 Kalambayan bereikt. Onderweg zag men talrijke kudden karbouwen maar geen vijand. 

Latere periode

Verstege verbleef hier tot 1863. In 1860 werd hij eerste benoemd tot adjudant bij het negende bataljon en vervolgens tot waarnemend controleur derde klasse voor de afdeling Kween. Bij Koninklijk Besluit van 18 februari 1861 nummer 82 werd hij benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde: ter beloning van diegenen die zich sinds het begin der expeditie in de Zuider- 2. Verspijck GMen Oosterafdeling van Borneo, daarbij of bij het debarkement in de Kapoeas-rivier op 28 april 1860 hebben onderscheiden.

Verstege werd door al zijn chefs, door Van Oijen en Schiff, door de opperbevelhebbers der expeditie Andresen en Verspyck, bij elke gelegenheid geroemd om zijn dapperheid, zijn beleidvolle gedrag en de uitstekende aanvoering van zijn soldaten. In februari 1861 werd Verstege eervol ontslagen als adjudant bij het negende bataljon; datzelfde jaar werd hij op 26 augustus met Sjarif Abdoel Rachman per Boni in commissie naar Poeloe Laut gezonden om tussen het hoofd, pangeran Abdoel Kadir, en de bevolking van dat eiland gerezen geschillen te onderzoeken en bij te leggen.

Daarnaast was aan hem opgedragen om een zekere Boeginees van Batoe Litjin, Wang Makata, verblijf houdende te Pemantjengan, te arresteren. Deze voorzag de vijand van munitie. De zending werd succesvol afgerond.

Overige verrichtingen te Bandjermasin

Verstege werd vervolgens belast met de samenstelling van het Politiek verslag van de residentie Zuider –en Oosterafdeling van Borneo over 1859, waarin voor het eerst – na degelijke studie en persoonlijk onderzoek – de politieke verhoudingen en toestanden in al de tot dit gewest behorende landstreken uiteen werd gezet. Op de voorgrond stonden bij hem strenge maar rechtvaardige behandeling van de bevolking, een krachtige bevordering van haar belangen en handhaving van een deugdelijke politie.

De aanleg van bruggen en wegen werd door Verstege krachtig bevorderd, onder zijn bestuur onderging de rijstbouw een grote uitbreiding en werden er inlandse scholen opgericht; in 1863 kwam de eerste gouvernementsschool voor inlanders onder zijn leiding te Bandjermasin tot stand. Bovenal maakte hij zich verdienstelijk door al wat hij deed om tot geleidelijke afschaffing van het pandelingschap te komen. Verstege werd eind 1864 ter beschikking van het Militair Departement gesteld, met de bepaling dat hij als à la suite zou worden gevoerd bij het negende bataljon.

Latere militaire loopbaan

Verstege  werd in september 1866 bevorderd tot kapitein en verkreeg wegens ziekte omstreeks dezelfde tijd een tweejarig verlof naar Nederland. Terug in Indië werd hij in juni 1869 aangesteld bij het elfde bataljon en in augustus 1870 overgeplaatst bij het tiende bataljon. Hij was in deze tijd secretaris van de Buitenzorgse Wedloop-Sociëteit. In 1872 werd hij overgeplaatst bij het elfde bataljon.

Na de mislukte expeditie naar Atjeh werd hij geplaatst bij het toen opgerichte Bureau voor de Krijgsuitrustingen en bestemd om als chef van de staf van de 3de brigade (bij het tiende bataljon) tijdens de tweAlgemene staf aan boord van de Prins Alexander 2ede expeditie naar Atjeh op te treden. Maar Verstege ging niet naar Atjeh; zware koortsen verhinderden dat. Hij werd in 1874 overgeplaatst bij het subsistenkader te Batavia en in november 1874 bevorderd tot majoor. In december van dat jaar werd hij ter beschikking gesteld van de chef der tweede afdeling van het Department van Oorlog, om op te treden als chef van het eerste bureau van die afdeling.

Verstege maakte samen met kolonel E.H.W. Ubkens en luitenant-kolonel K.L. Pfeiffer deel uit van een commissie tot verkiezing van een winnend opstel in het Militair Tijdschrift; uiteindelijk werd het artikel De Indische Brigade verkozen. In 1876 verkreeg Verstege een tweejarig verlof naar Nederland wegens ziekte. Hij werd in april 1879 bevorderd tot luitenant-kolonel en vroeg en verkreeg niet lang daarna eervol ontslag uit de dienst met behoud van recht op pensioen.

De strijd tegen de Atjeh-politiek

Verstege keerde naar Nederland terug. Naar aanleiding van het voorstel tot inkrimping van de troepenmacht te Atjeh werd door een commissie van een groot aantal officieren, waaronder Verstege, een adres opgesteld aan de Koning, waarin deze stap ontraden werd. Ondertekenaars van dit adres waren, naast Verstege, onder meer de generaals Verspyck, Van der Heijden, graaf Van Limburg Stirum, oud-commandant van het Indische leger Schimpf, de gepensioneerde viceadmiraals P.A. van Rees en jhr. De Casembroot, de oudleden van de Raad van Nederlands-Indië jhr. W. van Rappard en mr. G.G. van Harencarspel, de Utrechtse hoogleraren mr. C.W. Opzoomer, Dr. C.H.D. Buys Ballot en mr. J. de Louter. Verder de gepensioneerde generaal-majoor Booms en de gepensioneerde majoor Van Rees, lid van de Algemene Rekenkamer.

In het adres stond onder meer: Neen, weggaan waar het belang van onze heerschappij in Indië, plicht en eer gebieden te blijven, waar we standvastig, rechtvaardig en welwillend maar met kracht en klem gezag voerend tot hetzelfde doel zullen geraken dat ons buiten Atjeh nooit ontging, mogen wij niet! Moeten wij niet! Wij willen getrouw blijven aan de oude leus: Je maintiendrai.

Diverse geschriften

Toen in 1883 het Samalangan-schilderij werd geschilderd, schreef Verstege in de kranten de Het Samalangan-schilderij in Amsterdam, beschouwd in haar wordingsgeschiedenis, haar waarde en beteSamalanga 1878kenis, vooral voor het Nederlands-Indische leger. Hij haalde onder meer Coen aan om te waarschuwen tegen te grote bezuinigingen op het leger: Door ondervinding moeten de heren het weten, dat in Indië de handel gedreven en gehandhaafd moet worden onder beschutting en faveur van uw eigen wapens, en dat de wapens gevoerd moeten worden door de voordelen, die wij genieten van de handel, zodat de handel niet zonder de oorlog, de oorlog niet zonder de handel kan blijven bestaan. 

Verstege trad op dinsdag 27 januari om half 8 als spreker op in een openbare vergadering van de kiesvereniging Burgerplicht. Het devies van zijn rede was een beroep op het Nederlandse volk en had tot onderwerp de Nederlandse positie te Atjeh. De rede werd datzelfde jaar gepubliceerd onder de titel Een beroep op het Nederlandse volk inzake het Atjeh-vraagstuk (De Bussy). Het bevatte een bijlage met gegevens ter beoordeling van de verwaarlozing van de Indische krijgsmacht.

Zijn rede en publicatie maakten diepe indruk en werd gevolgd door soortgelijke pleidooien in het Nieuws van de Dag door Von Schmidt auf Altenstadt, gepensioneerd kapitein-ter-zee, (12 februari, Een voorname zo niet eerste plicht, dubbel aanbevolen ten opzichte van Atjeh) en in het Algemeen Handelsblad van 23 april door Ampien (Uit Atjeh).

Wouter Cool

De invloedrijkste publicatie naar aanleiding van de oproep van Verstege kwam van kapitein W. Cool en werd zowel in het Algemeen Handelsblad (25 maart 1886) als in de Militaire Spectator gepubliceerd (beide keren onder de titel: Het Atjeh-vraagstuk). Dit uitgebreide artikel was een bespreking van de brochure van Verstege; ook van artikelen van de twee burgergouv423px-Voor het vertrek naar Indie 1877erneurs, die generaal van der Heijden waren opgevolgd, Pruijs van der Hoeven en Laging Tobias. Op niets ontziende wijze werd het beleid van Pruijs van der Hoeven uitgekleed:

"Aldus sloopten een te groot zelfvertrouwen, verbonden aan geringschatting van zijn tegenstanders, een te grote vasthoudendheid aan een eenmaal opgevatte mening, gepaard aan een verregaand optimisme en - last not least - een totale miskenning van de werkkring en de roeping van het leger, binnen een tweetal jaren het moeilijke werk, door zijn voorgangers ten koste van jaren strijd, stromen bloed en tonnen goud tot stand gebracht". Dit artikel kwam hem duur te staan; Cool brak er bijna zijn militaire loopbaan op.

Het adres van honderd

Verstege stond datzelfde jaar voor de kiesvereniging burgerplicht op de lijst met voorgestelde kandidaten voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal maar werd niet verkozen met 7 stemmen voor. Hij werd in 1887 benoemd tot bestuurslid van het Indisch Genootschap. Op 3 maart 1887 werd het zogenaamde adres van 100 aan de Koning gezonden, mede ondertekend door Verstege en verder door mannen als viceadmiraal De Casembroot, generaal Verspyck, hoogleraar Buys Ballot, generaal Knoop, Mr. N.G.Pierson, viceadmiraal Gregory, viceadmiraal Van Gennep en hoogleraar Veth.

Dat adres begon als volgt: Sire, ondergetekenden, militairen en burgers van verschillende rang en stand maar allen één in hun liefde voor het vaderland en voor de luister van uw kroon. Zij zien met bittere droefheid en stijgende kommer de ongunstige toestand gade waarin Nederlands-Indië zich steeds meer bevindt. De tekenen die tot dusverre aan het licht kwamen werpen de schijn van willekeur op de regering, die in brede kring een hoogst pijnlijke indruk maakt.

Het adres eindigde met de woorden: wij wenden ons tot u met de bede dat het u behaagt het noodlottig verval van leger en vloot in Nederlands-Indië te stuiten door zoveel versterking van materieel en personeel als nodig blijkt om de taak te vervullen, die op het voetspoor van een roemvol verleden op Nederland als koloniale mogendheid rust en de toekomst van zijn koloniale heerschappij verzekert.

De hoop op een betere Atjeh-politiek

Verstege ontwierp, toen de Atjeh-vergaderingen niet tot het beoogde doel hadden geleid, een plan tot een algemeen petitionnement aan de Staten-Generaal. HijVerstege33 deelde een uitvoerig ontwerpadres mede in zijn brochure Geloven en hechten wij nog aan onze volkseer? uit 1887. Op donderdag 26 januari 1887 had hij in de bijeenkomst van de Vereniging tot Beoefening van de Krijgswetenschap de rede Een terugblik op Romeins en Frans Algerië, als bijdrage ter vergelijking en beoordeling van sommige handelingen en tijdperken uit onze Atjeh-krijg gehouden.

Het jaar daarop publiceerde hij nog een brochure over de beriberi-commissie (zijn controverse met de voormalige adjudant van gouverneur-generaal Loudon J.I. de Rochemont). Daarnaast kwam in zijn sterfjaar zijn boek Militair historische terugblik bij de 75 jarige gedenkdag van Waterloo. De historische oorsprong en betekenis, de grondslagen en het doel van Legioen van Eer, IJzeren Kruis en Militaire Willems Orde uit.

Dit boek eindigde met de woorden: Goed geoefende mannen in voldoende getal uit alle lagen van het volk zijn onontbeerlijk. Laat allen die verslapt zijn door vrede en voorspoed de woorden van Koning Willem I lezen, die hij kort voor Waterloo tot zijn volk richtte: gij allen, landgenoten! die dit grondgebied bewoont, ontsluit uw harten voor het vertrouwen en de hoop!

Overlijden en begrafenis

Verstege was lid van het bestuur der Koninklijke Vereniging het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven en werd na zijn dood opgevolgd door het erelid van die vereniging Verspyck. Hij was daarnaast hoofdbestuurder van de anti-dienstvervangingsbond. Hij overleed in 1890 op 56-jarige leeftijd na een zeer kortstondig ziekbed. Hij was bevriend met kapitein Cool, kapitein van Daalen en kolonel G.F.W. Borel en de zwager van Verspyck.

Verstege werd begraven op de Algemene begraafplaats met de benodigde militaire eerbewijzen. De stoet stond onder commando van luitenant-kolonel Verspyck van de jagers. De slippen van het lijkkleed werden vastgehouden door kolonel Diepenheim, overste Perelaer, majoor Bruinsma en door overste Le Bron de Vexela van het regiment grenadiers en jagers. Onder de bezoekers bevonden zich de generaals Booms, Knoop, Verspyck, Van der Heijden en Klerck. Majoor de Wijs hield een laatste rede. Tweeënveertig kransen dekten de grafzerk.


Bibliografie

  • 1882. Misopseudes. Eerlijke koloniale staatslieden, naar aanleiding van een bladzijde uit het ministerieel leven van Mr Willem van Goltstein van Oldenaller. Jac. G. Robbers. Rotterdam.
  • 1883. Het Samalangaschilderij te Amsterdam beschouwd in haar wordingsgeschiedenis, haar waarde en betekenis vooral voor het Nederlands Indisch leger. C.A. Spin & Zoon Overdruk uit het Algemeen Handelsblad.
  • 1884. Koloniale geldverspillingen en roekeloos regeringsbeleid. Overdenkingen. J.H. de Bussy. Amsterdam.
  • 1885. 1815-1885. Voorheen en thans. Een vergelijkende beschouwing bij het 70-jarig bestaan der Militaire Willemsorde. J.H. de Bussy. Amsterdam.
    1886. Een beroep op het Nederlandse volk inzake het Atjeh-vraagstuk. J.H. de Bussy. Amsterdam.
  • 1886. Geloven en hechten wij nog aan onze volkseer? J.H. de Bussy. Amsterdam.
  • 1888. De staatscommissie inzake de beri beri kwestie. Haar ontstaan, haar doel en haar secretaris. Een onthulling en een karakterschets. Gebr. J. en H. van Langenhuijsen. Den Haag (die secretaris was De Rochemont).
  • 1888. De vestiging van de Romeinse heerschappij in Afrika.Krijgsgeschiedkundige bijdrage ter vergelijk en beoordeling van onze vestiging in Atjeh. Van Doorn en Zoon. Den Haag.
  • 1890. Militair historische terugblik bij de 75 jarige gedenkdag van Waterloo. De historische oorsprong en betekenis, de grondslagen en het doel van Legioen van Eer, IJzeren Kruis en Militaire Willems Orde. Gebr. J.en H. van Langenhuijsen. Den Haag

Bronvermelding

  • 1865. W.A. van Rees. De Bandjermasinsche Krijg van 1859-1863. Twee delen. D.A. Thieme. Arnhem
  • 1865. W.A. van Rees. De Bandjermasinsche Krijg van 1859-1863. Twee delen. D.A. Thieme. Arnhem
  • 1861. De Noordbrabander (23-02-1861)
  • 1861. Algemeen Handelsblad (29-10-1861)
  • 1874. Java-bode (09-12-1874)
  • 1883. Het Nieuws van de Dag (28-07-1883)
  • 1883. Algemeen Handelsblad (28-10-1883)
  • 1886. Algemeen Handelsblad (03-03-1886)
  • 1887. De Krijgsmacht in Indië. De Locomotief (12-04-1887)
  • 1890. Algemeen Handelsblad (19-06-1890)
  • 1890. Java-bode (03-10-1890)
  • 1890. Kielstra. J.J.W.E. Verstege. De Militaire Spectator. Bladzijde 621-633 

 [ Terug

f t