SFA03 SFA022811621 X


De eerste vlieglessen

Het vliegbrevet

Verrichtingen met diverse vliegtuigen

Activiteiten binnen het leger

Eigen firma: Van Meels Vliegtuigenfabriek

Diverse activiteiten in de luchtvaart

Latere leven

Zie ook


De eerste vlieglessen

Marinus van Meel (Tiel, 28 november 1880 - Den Haag, 12 juni 1958) was de zoon van een kaasexporteur. Hij richtte in december 1903 met compagnon C.P. van Bokkum een naamloze vennootschap (1903, nummer 2ddd 110560806 mpeg21 p003 image95) op,SFA03 SFA022800786 X die als doel de handel in kaas en aanverwante producten had: "Van Meel's Kaashandel", statutair  gevestigd te Rotterdam. Het gevestigde kapitaal was 100.000 gulden. Van Meel zag in 1909 de Belgische vlieger Jan Olieslagers vluchten maken boven Amsterdam en woonde op Woudesteyn, achter Kralingen, diens vliegdemonstraties bij.

Enthousiast geworden hierdoor begon hij, na eerst de benodige theoretische kennis opgedaan te hebben,  zich begin 1910 te oefenen op een door Farman geconstrueerde tweedekker in Kiewit-Hasselt, België. Toen in Frankrijk in Etampes een zogenaamde "vliegschool" werd opgericht behoorde Van Meel tot een der eerste leerlingen. Op 11 mei 1911 maakte hij de vlucht ten behoeve van zijn vliegbrevet van de FAI, die hem op 6 juni 1911 werd uitgereikt.

Het vliegbrevet

Tot de eisen behoorden indertijd het maken van een gesloten rondvlucht van ten minste vijf kilometer, een hoogtevlucht, het uitvoeren van een aantal onafgebroken achten op een baan van vijfhonderd meter en ten slotte het landen met afgvanmeelezette motor op een afstand van minder dan dan vijftig meter van een bepaald punt. Toen hij naar Nederland terugkeerde mocht hij zichzelf aviateur noemen en was hij in het bezit van een tweedeks vliegtuig, een  die hij voor 28.000 goudfranken van de Franse ontwerper Henri Farman had gekocht.

Met de "Farman" gaf Van Meel vervolgens overal in het land demonstraties, die een ware sensatie vormden en leidden tot de fabricage van ansichtkaarten met daarop Van Meel tijdens diens vluchten. Er verscheen zelfs een "M. van Meel, aviateur" sigaar op de markt en in het vliegtijdtijdschrift "Avia" van december 1911 stond in een artikel over de Nederlandse Militaire Luchtvaart een portret van Van Meel.

Verrichtingen met diverse vliegtuigen

Van Meel, dan actief als dienstplichtig soldaat bij het 36ste bataljon landweerartillerie, werd samen met tweede luitenant H. ter Poorten (wapen der artillerie, SFA03 SFA022811714 XKNIL), reserve-tweede luitenant J. Labouchère (derde Regiment Huzaren) en dienstplichtig sergeant K.H. Bakker (44ste bataljon Landweerartillerie) bij Koninklijk Besluit in oktober 1911 benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden voor zijn verrichtingen voor de (militaire) luchtvaart. Dat was ook voor zijn deelname als verkenner aan de grote legermanoeuvres in augustus 1911.

De Minister van Oorlog, generaal Wouter Cool, willigde eerder persoonlijk  Van Meels verzoek om met zijn toestel deel te mogen nemen in en wees hem als standplaats het vliegkamp nabij herberg De Pettelaar toe. In deze tijd gaf Van Meel ook lessen aan officieren van het leger; zo verkreeg luitenant Van Heyst in december 1911 zijn brevet na onderricht van Van Meel en maakte Van Meel vluchten met  eerste luitenant der artillerie Van den Berg van het Indische Leger vanaf Saparoea.

Daarnaast voltooide hij ook alleen veel vluchten, onder meer vanaf het vliegveld Hasselt naar Luik en deed hij mee aan de wedstrijd op het baanvak Luik-Soesterberg. Hij werd voor de duur van vijf jaar als militair vlieger vervolgens ingedeeld bij het Regiment Grenadiers en Jagers.

Activiteiten binnen het leger

Van Meel werd in de zomer van 1912 in zijn functie als militair aviateur met zijn toestel gedetacheerd op het legerkamp in Oldenbroek. Dat was met name om met officieren der artillerie vliegtochtjes boven deze locatie te maken teneinde waarnemingen te doenSFA03 SFA022811825 X bij werkdadig vuren. Hij had intussen een eigen toestel, een Farman Biplan, gebouwd, waarmee hij, opgestegen vanaf Soesterberg, rond de toren van Amersfoort vloog.

Ook het jaar daarop, 1913, maakte Van Meel vele vluchten. Op 1 juli 1913 werd de Militaire Luchtvaart Afdeling opgericht met zijn eerste vier militaire vliegers, te weten Versteegh, Van Heyst, Coblijn en Roeper Bosch. Omdat men geen toestellen had verkocht Van Meel er twee die door hem zelf gebouwd waren (systeem Farman).

Door de tocht die Van Meel vanaf Soesterberg in september 1913 maakt werd hij de formele houder van het hoogterecord, namelijk 1.810 meter. De hoogte werd erkend door jonkheer Ram, de voorzitter der Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart. In december 1913 vloog Van Meel met zijn "hydroplane" (watervliegtuigje) een overlandvlucht naar Nijmegen, waarna hij, na voordurend over de Waal gevlogen te hebben, waarop hij diverse landingen verrichtte, neerstreek in die stad. Hij nam daarnaast opnieuw aan de grote manoeuvres deel met zijn Farman biplan met 80 pk motor.

Eigen firma Van Meels Vliegtuigenfabriek

In deze tijd richtte hij Van Meels Vliegtuigenfabriek op. Deze firma had tot doel de fabricage van, de handel in, en de verhuring van vlieg- en watervliegmachines en alles wat in de meest uitgebreide zin daarmee in verband stond. Het kapitaal van de Naamloze Vennootschap was 500.000 gulden. Van Meel zelf was de directeur en J.J.A. van Meel commissaris.

In februari 1913 trad hij in onderhandeling met de Eerste Nederlandse Vliegvereniging te Gilzen-Ryen over de aankoop van het vliegterrein te MolenheidSFA03 SFA022811637 Xe omdat door de noodzakelijke uitbreiding van de Militaire Luchtvaartafdeling de ruimte te beperkt was geworden. De verhuizing van de fabriek van Van Meel vond uiteindelijk in april 1914 plaats.

 Van Meel kreeg begin 1914 een ongeluk met zijn watervliegtuig nadat hij van een vlot in de Maas vertrokken was. Toen een groot schip hem tegemoet kwam kon hij onvoldoende hoogte maken en moest, om de pijpen van de boot te ontwijken, een scherpte draai naar links maken. Een rukwind sloeg het vliegtuig tenslotte in de rivier, waar een politieboot de onfortuinlijke piloot oppikte. Van Meel bouwde nu zelf een nieuw toestel met een enigszins gewijzigde constructie (met "Gnome" motor), die hij "de Brik" noemde. Dit vliegtuig was later het eerste toestel van de Luchtvaartafdeling van het Nederlandse leger.

In 1915 vervolgde Van Meel zijn proeven met het watervliegtuig. In februari 1915 werd hij door de Minister van Oorlog van zijn vrijwillige verbintenis ontheven en teruggebracht tot de positie van dienstplichtige (zonder rang) bij de  Landweer. Al gedurende geruime tijd waren er geruchten dat hij het vliegen eraan zou geven en zich in Nederlands-Indië als handelaar of in de Verenigde Staten als volontair op een oliefabriek zou vestigen. Waar was wel dat hij in 1915 een tocht naar New York maakte, vanwaar hij naar Amsterdam terugkeerde met de Rijndam.

Diverse activiteiten in de Luchtvaart

Van Meel was intussen met zijn formele loopbaan als vlieger gestopt, hoewel hij in april 1919 schijnbaar hierop terug kwam door toen te melden dat hij van plan was als amateur deze tak van sport met een watervliegtuigje weer op te pakken. Toen de heer Lesch, vlieger van de fabriek Van Berkel's PaSFA03 SFA022002769 Xtent, met het aldaar voor de Marine gefabriceerde watervliegtuig in september 1920 een tochtje bij Rotterdam maakte vloog Van Meel als passagier mee.

In september 1922 werd te Rotterdam besloten tot de oprichting van een Rotterdamse Luchtvaart Vereniging, waarbij Van Meel in het dan voorlopige bestuur werd benoemd. Ook was hij in oktober 1927 de examinator bij het examen (vliegbrevet) van de Fédération Aéronautique Internationale van de sportvlieger L.F. Lammertztoen op het Vliegveld Waalhaven.  Daarnaast zat hij in het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (1928).

Toen in maart 1934 sprake van de bouw van een gemeenschappelijk vliegveld bij Delft en het vliegveld in de Waalhaven dreigde opgeheven te worden klom Van Meel in de pen. Hij beargumenteerde dat de Waalhaven, zeker na de komst van de Maastunnel, gunstiger gelegen was dan een te bouwen vliegveld bij Delft en schreef dat, door de toenemende snelheid van vliegtuigen en dus verminderde behoefte aan tussenstopplaatsen, piloten uiteindelijk toch de voorkeur zouden geven aan Schiphol als finale centrale luchthaven.  In deze tijd maakte Van Meel ook nog steeds vluchten met zijn eigen vliegtuigjes.

Latere leven 

 Niet lang hierna zei Van Meel de aviatiek vaarwel en nam de leiding op zich van de firma NV Motor Zeevaart Maatschappij te Rotterdam. Hij werd nog uddd 010540820 mpeg21 p004 imageitgebreid gehuldigd in 1936, 25 jaar nadat hij zijn vliegbrevet gehaald had.  Twee jaar later, in juli 1938, werd te Mariendaal bij Zuilen een monument opgericht ter eer en nagedachtenis aan de pioniers der Nederlandse luchtvaart. Van Meel was bij de onthulling een der eregasten.

In 1952, op zijn 72ste verjaardag, maakte hij met Gerben Sonderman zijn laatste vlucht boven Nederland in een S14, een straallesvliegtuig van Fokker.  Hij kreeg toen echter heimwee naar de begindagen der luchtvaart want hij zei in een interview: "Je zit tegenwoordig met een zuurstofmasker en een zwemvest op een schietstoel. Nee, dan wij in onze jaren: je zette je pet achterstevoren en weg was je!"

In 1956 werd Van Meel door de Koninklijke Luchtmacht geëerd door hem symbolisch het Groot Militair Vliegbrevet uit te reiken. De chef van de Luchtmachtstaf, generaal A. Baretta, speldde hem, naast enige jonge straaljagerpiloten, in het front van de troep de "wing" op. Van Meel overleed in zijn huis aan de Koningin Emmakade te Den Haag op 77-jarige leeftijd. Hij werd dood in het bad aangetroffen. 

Zie ook


 

[ Terug ]

 

f t