De Bruyne in vol ornaat


Vroege loopbaan - infanterie

Bij het Korps Mariniers

Loopbaan jaren dertig

Voor-oorlogse tijd

Werkzaamheden in Londen

Oprichting van de Mariniersbrigade

Functies na de oorlog

Commandant Korps Mariniers

De persoon De Bruyne

Decoraties

Zie ook


Vroege loopbaan  - infanterie

Mattheus Reindert de Bruyne (Terneuzen, 9 oktober 1895 - Renkum, 13 oktober 1973) bezocht in Middelburg de HBS en behaalde in 1913 zijn eindexamen. Hij kwam het jaar daarop in aanmerking voor plaatsing aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, richting infanterie hier te lande, en voldeed op 25 juli 1917 aan het examen voor tweede luitenant.  Aldus werd hij op 18 augustus van dat jaar in de rang van tweede luitenant beëdigd en geplaatst bij het Tiende Regiment Infanterie.

De Bruyne werd in september 1918 in de functie van leraar gedetacheerd bij de vaandrigscursus te Breda en weer teruggeplaatst bij het Tiende Regiment, waar hij op 25 juli 1921 werd bevorderd tot eerste luitenant der infanterie. Met ingang van 8 augustus 1921 werd hij gedetacheerd bij het Korps Mariniers ter plaatsing bij de kazernes. In deze tijd ging hij van de infanterie definitief over bij het Korps Mariniers want hij werd op 8 augustus 1922 benoemd tot eerste luitenant der Mariniers.

Bij het Korps Mariniers

Bij Beschikking van de Minister van Marine werd De Bruyne in september 1922 bij de Militaire Gymnastiek- en Sportschool te Den Haag geplaatst. In juni 1923 werd hij voor het eerst aan boord van een schip, Hr. Ms. WachtsVaandelwacht Bruynechip te Willemsoord, overgeplaatst en op 1 augustus 1924 herplaatst op Hr. Ms. Gelderland. Na een periode op deze boot werd hij bestemd voor de dienst in Nederlands-Indië zodat hij op 22 november 1924 met het stoomschip Koningin der Nederlanden naar Batavia vertrok.

In de Oost was De Bruyne onder meer werkzaam op Hr. Ms. Zeven Provinciën maar hij werd, in verband met communistische onlusten op dit schip, overgeplaatst op  de Marinierskazerne te Goebeng, waar hij was belast met de vorming en opleiding van een detachement voor Speciale Diensten.

De Bruyne kreeg in december 1927 vergunning naar Nederland terug te keren. Aldaar werd hij begin 1928 aangesteld als hoofd van het onderwijs bij de Gymnastiek -en Sportschool te Willemsoord en op 5 maart 1929 bevorderd tot kapitein der Mariniers. Hij werd nu gedetacheerd bij de Hogere Krijgsschool en benoemd tot lid van de Zeekrijgsraad. In mei 1931 vond zijn benoemnig tot algemeen hoofd van de Gymnasiek en Sportschool plaats en met ingang van 1 september van datzelfde jaar werd hij aangesteld als officier-instructeur bij het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord. 

Voor het "Marineblad" van 1 november 1933 schreef De Bruyne een artikel over de Mariniersopleiding, waarin hij wees op de onbevredigende situatie dat het enige opleidings- en oefencentrum der Mariniers zich in het hart van een grote stad bevond terwijl deze droeve toestand nog verergerde door een verhuizing naar een kazerne die nog dieper in de binnenstad van Rotterdam gelegen was.

Loopbaan jaren dertig

Op 22 december 1934 vertrok een detachement van het Korps Mariniers, onder commando van  De Bruyne, naar Duitsland om bij de volkstemming, die meDe Bruyne mag wel in de krantt instemming van Duitsland en Frankrijk in het Saargebied zou worden gehouden, deel uit te maken van de, eveneens met toestemming van beide partijen ingestelde internationale troepenmacht. Bij vertrek sprak de commandant van het Korps Mariniers, kolonel C.J.D. Dorren de manschappen toe: "Ik wens  u allen een goede reis en druk u op het hart u ook buiten dienst waardig en correct te gedragen".

De Bruyne werd voor zijn verrichtingen in Duitsland bij Koninklijk Besluit van februari 1935 benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. Met ingang van 1 februari 1936 belastte men hem Groespfoto roeltje duistlandtijdelijk met de waarneming der betrekking van commandant van het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord.

In deze tijd was hij daarnaast lid van de commissie die tot taak had een rangschikkingsonderzoek van de kandidaten voor adelborst voor de zeevaartdienst voor het Korps Mariniers en voor de stoomvaartdienst bij het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willlemsoord in te stellen.

Toen Minister H. Colijn in april 1936 het Koninklijk Instituut voor de Marine bezocht werd hij welkom geheten door de commandant, kapitein-luitenant-ter-zee C.J. baron van Asbeck, en diens eerste officier,  De Bruyne. Kapitein der Mariniers W.J.A. Roelofsen fungeerde bij deze gelegenheid als commandant van een compagnie adelborsten.

Voor-oorlogse tijd

De Bruyne werd bij Beschikking van de Minister van Defensie eervol ontheven uit zijn functie van eerste officier bij het Koninklijk Instituut voor de Marine, met ingang van 30 april 1937 ter beschikking gesteld en overgeplaatst bij de Indische Marine. Hij vertrok met het Marineschip JBruintje in autoohan van Oldenbarnevelt naar Batavia, waar hij op 17 juni 1937 in de haven Tandjong Priok aankwam. In de Oost werd De Bruyne als eeerste officier geplaatst op de Marinierskazerne Goebeng.

De Bruyne werd, vanuit de rang van kapitein, met ingang van 1 mei 1938 bevorderd tot luitenant-kolonel. Die promotie vond mede plaats omdat hij was benoemd tot commandant van het Korps Mariniers, oudst aanwezig officier der Mariniers in Nederlands-Indië, als opvolger van luitenant-kolonel H.F.J.M.A. von Freytag Drabbe.

Tijdens de plechtige overdracht van een foto van de Koningin, genomen op 19 september 1939 (laatste Opening der Staten-Generaal voor de bezetting door Duitsland), waren onder meer schout-bij-nacht G. W. Stöve en deBruintje marbrig Marinecommandant, kapitein-ter-zee P. Koenraad aanwezig. Als oudste aanwezige officier der Mariniers aanvaardde De Bruyne deze foto namens het gehele Korps Mariniers. In deze periode was hij, naast genoemde functie, actief als voorzitter van de Krijgsraad.

Tijdens het 275-jarig bestaan van het Korps Mariniers in 1940 gaf De Bruyne een toespraak voor de Nirom-microfoon, waarin hij onder meer de historie van het Korps,  de bezetting van Nederland en de gevallen Mariniers memoreerde. Hij eindigde zijn betoog met de woorden: "En zeker, Mariniers, zal ons dit niet doen buigen, nog minder breken. De geest van tienduizenden, ja, honderdduizenden Mariniers, die voor ons tot dit Korps hebben behoord, en daarin hun plicht hebben gedaan, spreekt tot ons. Wij hebben nooit versaagd, en zo zult ook gij niet versagen, gij, Mariniers van 1940."

In augustus 1941 gaf De Bruyne het commando over de Marinierskazerne Goebeng en de functie van oudst aangewezen officier tijdens een plechtigheid over aan kapitein der Mariniers W.A.J. Roelofsen. Dat was omdat De Bruyne in augustus 1941 overgeplaatst werd naar Engeland.

Werkzaamheden in Londen

De Bruyne, zijn  echtgenote en dochter werden op het station Goebeng, vanwaar zij naar Batavia zouden reizen, uitgeleide gedaan door de eskadercommandant K.W.F.M.  Doorman, Marinecommandant Koenraad en de commandant van de Militaire Luchtvaartdienst kolonel G.G. Bozuwa. Andere aanwezigen waren alle commandanten Afscheid heldje en beertjeder schepen en instellingen van de Marine en kapitein der Mariniers Roelofsen.

De Bruyne was in Londen vanaf eind december 1941 werkzaam als hoofd van het Bureau Voorbereiding Terugkeer (bureau ter voorbereiding van de terugkeer van Ministers en de Koningin)  Tot zijn werkzaamheden behoorden het beschikbaar stellen, met machtiging van Minister Gerbrandy en Minister Furstner, van agenten van de Special Operations Executive (SOE), een nieuwe Engelse geheime dienst. Hun taak zou, als gedefinieerd door Churchill, het uitvoeren van sabotage in bezet Europa en het voorbereiden van de vorming van een geheim leger zijn.

In februari 1942 werd De Bruyne, naast zijn eerder genoemde functie, benoemd tot hoofd van de Centrale Inlichtingen Dienst (CID). In zijn nieuwe functie had hij te maken met belangrijke plannen en projecten als de voorbereidingen ten behoeven van een grote Geallieerde landing in West-Europa en het zogenaamde "Plan for Holland".  

Toen in Londen een zogenaamde "bombardementscommissie" werd opgericht kregen, onder voorzitterschap van Minister Gerbrandy, hier zowel Prins BeBruintje in vol ornaat2rnhard  als Minister Furstner zitting in en werden  De Bruyne en kapitein-luitenant-ter-zee Cornelis Moolenburgh benoemd tot adviseurs.

Toen De Bruyne ontdekte dat de groep van Erik Hazelhoff Roelfzema geheel los van de onder hem ressorterende Centrale Inlichtingen Dienst opereerde en hij hierover in conflict raakte met diverse andere personen, waaronder Rabagliatti, chef Dutch Section  I-6, legde hij eind mei 1942 de verantwoordelijkheid over de Centrale Inlichtingendienst neer.

Toen ontdekt werd dat  het "Plan for Holland" en de zending van geheime agenten ("Englandspiel") bekend waren geraakt bij de Duitsers werd aan De Bruyne de taak om de SOE te helpen ontnomen. De Bruyne verkreeg nu, op eigen dringend verzoek, in augustus 1943 eervol ontslag uit zijn functie van hoofd Bureau Militaire Voorbereiding en Plaatsing.

Later trachtte Minister Gerbandy De Bruyne opnieuw te interesseren voor de functie van hoofd Centrale Inlichtingen Dienst maar dit weigerde De Bruyne.

Oprichting van de Mariniersbrigade

Op 1 juli 1943 werd De Bruyne benoemd tot inspecteur der Nederlandse troepen in Engeland en bevorderd tot kolonel der Mariniers (16 augustus 1943). Al in 1942 ontving hij van kapitein der Mariniers E.J. baron Lewe van Aduard een plan voor de oprichting van een Marinierseenheid ter sterkte van een Reinforced Regiment van het United States Marine Corps (USMC), die bestemd zou zijn deel te nemen aaHerrijzend Nederland Bruintjen de strijd tegen Japan.

Na de Installatie bruintjebehandeling in een commissie oorlogvoering en vervolgens in een stafcommissie, waarin ook De Bruyne zitting had, ondertekende de Minister van Marine, tevens bevelhebber der strijdkrachten, luitenant-admiraal J. Th. Furstner op 17 mei  1943 de beschikking tot de oprichting van een Marine Regiment.

In juli 1943 werd de brigade formeel ingedeeld bij de 21ste Army Group, die, hoofdzakelijk bestaande uit het First Canadian en het Second British Army, nu bestemd was in Normandië te landen. De Bruyne nam in de zomer van 1944 ontslag uit zijn functie als inspecteur der Nederlandse troepen.

Doordat De Bruyne in die tijd in verband met zijn functies in Londen niet beschikbaar was werden achtereenvolgens schout-bij-nacht G.W. Stöve en schout-bij-nacht L.G.L. van der Kun tot bevelhebbers der Mariniersbrigade benoemd. Pas op 16 oktober 1944 volgde De Bruyne hen als commandant van het Detachement Mariniers USA op. In "Herrijzend Nederland" van 23 maart 1945 deed hij een oproep aan alle reserve-officieren van het Nederlandse Leger zich aan te sluiten bij het Korps Mariniers.

Functies na de oorlog

De Bruyne werd na de Tweede Wereldoorlog benoemd tot commandant van de Eerste Nederlandse Mariniersbrigade, die hij op Oost- Java aanvoerde, in de eerste moeilijke periode van de Bersiap en tijdens de overname van het militaire gezag van de Engelse troepen. Toen de commandant der zeemacht in het oosten, vice-admiraal A.S. Pinke, iBruyne terug in Nederlandn april 1946 Soerabaja bezocht werd hij op het Marine-vliegkamp Morokrembangan onder meer ontvangen door De Bruyne.

De Bruyne nam op 20 juli 1946 te Soerabaja het Territoriaal Commando Oost-Java over van kolonel C. Giebel. Zijn taak was het bestrijden vLegion of Meritan gezagsvijandelijke elementen en het beschermen van de bevolking. Hij werd nog hetzelfde jaar (1 september 1946) bevorderd tot generaal-majoor en aangesteld als commandant der A-Divisie, waarmee hij deelnam aan de Eerste Politionele Actie.

Bij Koninklijk Besluit van november 1947 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en kreeg hij door de Amerikaanse Marineofficier  kapitein-ter-zee D.J. Mac Callum de versierselen van het Legion of Merit opgespeld.

De Bruyne verrichtte in april 1947 de plechtige opening van de Erebegraafplaats Kembang Koeing en keerde eind november 1947 met de "Oranje" naar Nederland terug omdat hij aldaar was benoemd tot commandant van het Korps Mariniers, als opvolger van generaal-majoor Von Freytag Drabbe. In zijn functie als commandant van de A-Divisie werd hij opgevolgd door generaal-majoor W.J.K. Baay.

Commandant Korps Mariniers

De Bruyne waarschuwde in augustus 1951 tijdens een toespraak in Kamp Woestduin dat er onvoldoende moderne Amerikaanse uitrusting aanwezig was om het Nederlandse Korps Mariniers, dan op oorlogssterkte bestaandeBruinetjeipo uit 13.000 man, volledig uit te rusten. Hij zei dat in het geval er een oorlog zou uitbreken een deel van hen onder commando van de admiraal van de Benelux, anderen overzee zouden worden gezonden, terwijl de rest aan boord van een schip dienst zou kunnen doen.

De Bruyne trad formeel op 1 maart 1953, hij was inmiddels bevorderd tot luitenant-generaal (16 februari 1953),  af als commandant van het Korps Mariniers en werd opgevolgd door kolonel der Mariniers P.J. van Gijn. De overdracht vond, in aanwezigheid van Prins Bernhard, plaats op de Willem Joseph baron van Ghent-kazerne te Rotterdam.

Ook na zijn pensionering bleef De Bruyne actief: in september 1956 legde hij, samen met de andere oud-commandanten van de A-Divisie luitenant-generaal C. Giebel en luitenant-generaal W.J.K. Baay, ter nagedachtenis aan de gevallenen,  een krans op de Dam. In 1960 nam hij zitting in een college van aanbeveling ten behoeve van de realisatie van een schilderij van legercommandant S.H. Spoor, dat op Bronbeek zou komen te hangen. 

De persoon De Bruyne

Volgens kolonel C.E. baron van Asbeck was De Bruyne "door en door eerlijk en recht door zee. Alles wat geen hele waarheid was, was voor hem leugen." In zijn optreden tegen ondergeschikten was De Bruyne vaderlijk, soms vermanend maar nooit kortaf.

De Bruyne had een grote mensenkennis en werd ook wel "intellectual soldier" genoemd, omdat hij al in 1935 een studie schreef over Amfibische landingen en daarmee zijn tijd ver vooruit was. Naast dit alles had De Bruyne een grote persoonlijke uitstraling. Hij overleed op 79-jarige leeftijd in 1973 in zijn woonplaats Renkum.

Decoraties

  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
  • Officier in de Orde van Oranje-Nassau
  • Erepenning voor Menslievend Betoon in Brons
  • Ereteken voor Orde en Vrede met twee gespen
  • Huwelijksmedaille 1937
  • Mobilisatiekruis 1914-1918
  • Order Legion of Merit

Zie ook


 

f t