Afdrukken
Gegevens: Hoofdcategorie: Marine Categorie: Artikelen marinepersoneel | Gepubliceerd: 15 april 2015

Frederik Stam


Vroege loopbaan

Frederik Stam (Rotterdam, 19 juli 1898 - Den Haag, 31 augustus 1953) volgde de HBS in Rotterdam en begon aansluitend, in augustus 1917, aan zijn vervolgopleiding bij het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord. Bij Koninklijk Besluit van Hr Ms K III 4 sep 192017 augustus 1920 werd hij benoemd tot luitenant-ter-zee derde klasse en in oktober van dat jaar geplaatst bij de zeemacht in Nederlands-Indië, aan boord van Hr. Ms. Tromp.

Stam werd in april 1921 overgeplaatst naar de Kweekschool voor Inlandse Schepelingen; het jaar daarop voer hij onder meer op Hr. Ms. Zeven Provinciën en Hr. Ms. K III. Eind 1924 kreeg hij, inmiddels bevorderd tot luitenant-ter-zee tweede klasse,  vergunning om naar Nederland terug te keren, waar hij eerst werd geplaatst aan boord van de derde politiekruiser en vervolgens op Hr. Ms. artillerie-instructieschip Gelderland, gelegen te Nieuwediep (oktober 1926). Bij Koninklijk Besluit werd Stam nu eerst te werk gesteld op de Marinekazerne te Willemsoord en met ingang van 16 mei 1927 belast met het bevel over Hr. Ms. Vulcanus.

Opmaat naar de Tweede Wereldoorlog

Stam was vanaf juni 1928 onderdeel van het etat-major van Hr. Ms. torpedobootjager Piet Hein, waarmee hij aan het einde van dat jaar van Willemsoord naar Oost-Indië vertrok, aangezien de bemanning bestemd was voor de dienst aldaar. Met ingang van 1 september 1930 volgde Stams bevordering tot luitenant-ter-zee eerste klasse; in deze jaren voer hij in de IndisHNLMS Gelderland 1897che wateren onder meer op Hr. Ms. Sumatra en was hij ingedeeld bij de Dienst Conservatie (december 1932).

Eind 1933 keerde hij terug naar Nederland, waar hij tijdelijk werd belast met het bevel over Hr. Ms. Gruno en vervolgens werd geplaatst op de rol van Hr. Ms. Wachtschip te Willemsoord (met ingang van 15 februari 1934). Bij beschikking van de Minister van Defensie volgde op 17 maart 1935 een plaatsing op Hr. Ms. Gelderland en twee jaar later werd Stam, inmiddels teruggekeerd naar Nederlands-Indië, aldaar te werk gesteld bij het Departement van Marine. Bij Koninklijk Besluit van 6 augustus 1938 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden.

Tijdens de vooravond van de bezetting van Japan, in april 1939, bezocht de Engelse kruiser Kent, met aan boord commander in chief van het Engelse "China Station", vice-admiraal Sir Parcy L.H. Noble, Tandjong Priok. Stam was tijdens dit hoge bezoek als verbindingsofficier toegevoegd aan Sir Parcy Noble.

Begin van de Tweede Wereldoorlog

Stam behoorde tot de officieren die met vice-admiraal Helfrich waren uitgeweken naar Colombo. Hij was vanaf 1943 actief als commandant van de kruiser Hr. Ms. Tromp, die na de capitulatie naar Australië was uitgeweken en was ingevoegd in de vloot van de Engelse admiraal James Sommerville, met als basis het eiland Ceylon. De Tromp en de Van Galen werden in april 1944 ingezet Stam in 1943tijdens de actie van een gecombineerd Geallieerd eskader (onderdeel van de Britse Eastern Fleet) bij  Noord-Sumatra,  om Sabang, dat de basis was van in de Golf van Bengalen actieve Japanse onderzeeboten, aan te vallen.

Op 19 april 1944 vielen meer dan 80 vliegtuigen die basis aan, waarbij werven, dokken en haveninstallaties vernietigd werden. Twee Japanse vliegvelden nabij Sabang raakten zwaar beschadigd, 24 vijandelijke vliegtuigen gingen verloren. Een van de doelen van de aanval was vuur uit te lokken van de kustbatterijen en het luchtdoelgeschut, zodat de luchtfotografen gelegenheid kregen hun werk te doen. Aldus was nu de opstelling van de Japanse artillerie bekend geworden.

Op 17 mei 1944 was de Tromp onderdeel van het dekkingseskader van een Geallieerde aanval op de haveninstallaties van Soerabaja. Ditmaal werd minder succes geboekt.

Strijd bij Sabang

Op 25 juli van datzelfde jaar werd Sabang opnieuw aangevallen. De Tromp en drie torpedobootjagers kregen als taak als zogenaamde "inshore force" de baai van Sabang binnen te dringen en van nabij doelen in de hStam in Australieaven en  op de wal te beschieten. Op korte afstand, soms van niet meer dan 1.200 meter, joeg de Tromp zijn granaten in opslagplaatsen, militaire magazijnen en olietanks. De brandende olie verspreidde zich en stak weer andere gebouwen in brand. Havenkranen tuimelden in elkaar en munitievoorraden vlogen in de lucht.

De Tromp zelf kreeg vijf treffers. Omdat geen van de granaten sprong werd er op het schip betrekkelijk weinig schade aangericht maar wel moest zij toen terugkeren naar Australië teneinde de vernielingen te herstellen.

Pas in maart 1945 keerde Stam met zijn schip terug naar Ceylon. In september 1945 bevond de Tromp zich voor Tandjong Priok. Met de steun van de Amerikanen was alle beschikbare ruimte in het schip toen volgepakt met kisten melk- en eierpoeder en blikken vruchten. Stam had ook voedselpakketten laten klaarmaken, bestemd voor de familie van bemanningsleden, die zich nog in de interneringskampen bevonden. Er was een landingsdivisie gevormd, bestaande uit leden van de etat-major van de Tromp, maar die mocht van de Amerikanen niet worden ingezet.  

Na de bevrijding

Op zondag 21 oktober 1945 tekende de commanderend officier van de Japanse troepen op Billiton, Yamaguchi Yashiro, voor de onvoorwaardelijke overgave aan boord van Hr. Ms. Tromp. Nog dezelfde dag dirigeerde Stam het schip naar  de haven op het eiland, waarna een landingsafdeling onder leiding van MarineofficierTromp123 Schotel aan land ging zonder tegenstand te ontmoeten. Begin 1946 voer de Tromp naar Bangkok om hier een groot aantal krijgsgevangenen van de Koninklijke Marine op te halen en naar Nederland terug te brengen.

Eenmaal in het Vaderland werd de Tromp,  in aanwezigheid van haar dappere commandant kapitein-luitenant-ter-zee Stam,  bij het Stenen Hoofd in Amsterdam geïnspecteerd door Hr. Ms. Koningin Wilhelmina. In augustus van datzelfde jaar werd Stam benoemd tot lid van een Marine Commissie, een subcommissie van de Militaire Commissie (vertegenwoordiger bij de combined chiefs of staff), die een grote conferentie te Parijs hield. Al snel (1 november 1947) werd hij, inmiddels bevorderd tot kapitein-ter-zee,  aangesteld tot Marine-attaché in Washington (met als tijdelijke rang schout-bij-nacht), als opvolger van schout-bij-nacht Meyer Ranneft.

Latere loopbaan

Stam vertrok in mei 1949 per Nieuw Amsterdam van Washington naar Nederland; hij zoStam tekentu aldaar met ingang van 14 juni voor korte tijd bij de Afdeling Materieel van het Ministerie van Marine geplaatst worden maar was feitelijk bestemd voor de functie van commanderend vlagofficier (Commandant Marine) te Soerabaja. Doordat Stam effectief werd bevorderd tot schout-bij-nacht ging deze benoeming te elfder ure niet door en bleef hij in de positie van chef Materieel gehandhaafd.

Stam werd bij Koninklijk Besluit op 16 juli 1951 bevorderd tot vice-admiraal en in april 1952 benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Bij Koninklijk Besluit van 27 juli 1952 werd hij begiftigd met de Bronzen Leeuw voor zijn activiteiten met de Tromp tijdens de Tweede Wereldoorlog. 

Overlijden en begrafenis

Stam overleed plotseling op 31 augustus 1953 in de leeftijd van 55 jaar terwijl hij onderweg was van een vergadering in Den Haag naar zijnStam portret woonhuis in Bussum. Zijn stoffelijke verschot werd eerst opgebaard in het Militair Hospitaal in Den Haag en later onder grote belangstelling en met militaire eer begraven op de Algemene Begraafplaats te Bussum.

Aan de groeve werd onder meer het woord gevoerd door Minister van Oorlog C. Staf. Andere aanwezigen waren vlootpredikant dominee Sillevis Smitt, de staatssecretaris van Oorlog, mr J. Kranenburg, de commandant Zeemacht Nederland F. Th. Burghard, luitenant-admiraal C.E.L. Hellfrich en vele anderen. 

Decoraties

Zie ook


 

[ Terug ]