Stove, GW.


Vroege loopbaan

Gerhard Wilhelm Stöve (Zijpe, 29 juli 1889 - Den Haag, 24 september 1977) volgde de HBS in Alkmaar en werd in augustus 1906 benoemd tot adelborst der tweede klasse aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord.  In de rang van adelborst der eerste klasse (benoemd op 24 augustus 1909) volgde zijn eerste plaatsing op een Hr. Ms. Van Goghschip, Hr. Ms. pantserdekschip Holland, dat naar Nederlands-Indië voer. In de Oost voer Stöve achtereenvolgens op Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Van Gogh, waarna hij met ingang van 1 september 1911 bevorderd werd tot luitenant-ter-zee tweede klasse en terugkeerde naar Nederland.

Met ingang van 2 januari 1913 gelastte de Minister van Marine plaatsing van Stöve op Hr. Ms. Koningin Emma, waarna hij enige tijd later (20 oktober 1916)  per Sindoro terugkeerde naar de Oost, waar hij eerst in de rol van het Department van Marine werd geplaatst en later op de Van Gogh voer. In juni 1920 kreeg hij toestemming naar Nederland terug te keren, waar hij (8 juni 1920) bevorderd werd tot luitenant-ter-zee eerste klasse en geplaatst bij de Onderzeedienstkazerne te Willemsoord.

Tochten door de Indische wateren

Stöve werd in februari 1925 bij de Marinekazerne te Oedjong te werk gesteld, later overgeplaatst naar het station Onderzeeboten en in mei 1927 teruggeplaatst naar Oedjong; een paar maanden later kreeg hij verlof naar Nederland terug te keren, waar hij ingedeeld werd op Hr. Ms. torpeKapitein ter zee Stovedoboot G 16. In deze tijd hield hij ook lezingen, zoals in maart 1929 voor de Haagse afdeling van de Koninklijke Nederlandse Vereniging Onze Vloot over de aanval op Zeebrugge in de nacht van 22 op op 23 april 1918.

Op 3 december 1929 werd Hr. Ms. Schorpioen te Willemsoord in dienst gesteld teneinde als torpedo-instructieschip  te worden gebruikt en kreeg Stöve het bevel over deze boot opgedragen. Bij Koninklijk Besluit werd hij met ingang van 16 april 1931 bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee en in augustus 1932 benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Op 23 november van dat jaar vertrok hij weer naar Nederlands-Indië  en volgde de benoeming tot chef van de staf van het eskader in Nederlands-Indië. Enige maanden later werd hij ontheven van deze functie en geplaatst op Hr. Ms. Java.

Opmaat tot de Tweede Wereldoorlog

Stöve werd met ingang van 16 oktober 1935 bevorderd tot kapitein-ter-zee en keerde in februari 1936 naar Nederland teug, waar hij benoemd was toStove aan boordt directeur van de Hogere Marine Krijgsschool, als opvolger van schout-bij-nacht J. Th. Furstner. Hij werd daarnaast aangesteld als adviserend  lid van de Vlootcommissie, eveneens als opvolger van Furstner. November 1937 nam Stöve de functie van eskadercommandant in  Nederlands-Indië over van kapitein-ter-zee C.E.L. Helfrich.

Stöve werd met ingang van 1 januari 1940 bevorderd tot schout-bij-nacht en benoemd tot commandant van het Koninklijk Instituut voor de Marine te Soerabaja. Na deze bevordering en nieuwe benoeming droeg hij zijn functie als eskadercommandant  in  Nederlands-Indië op 15 mei 1940 over aan kapitein-ter-zee K.W.F.M. Doorman, tot dan commandant van de Marine Luchtvaartdienst. Doorman zou op 27 februari 1927 met zijn schip De Ruyter ten onder gaan tijdens de slag in de Javazee.

Combined Chiefs of Staff

Stöve vertrok begin februari 1942 per schip naar Amerika. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij  (samen met generaal-majoor A.Q.H. Dijxhoorn) Nederlands vertegenwoordiger bij de Combined Chiefs of Staff in Washington, waaOverdracht commando stover hij geen gemakkelijke taak had. Voor Stöve en Dijxhoorn was het moeilijk greep te krijgen op het handelen van Marine attaché Meyer Ranneft en militair attaché Weyerman.

Daarnaast speelden zowel het Nederlandse als het Nederlands-Indische grondgebied geen belangrijke rol in de offensieve plannen der Geallieerden, daar  (medio 1943) voor een grootscheepse landing de kust van Frankrijk de voorkeur genoot en Nederlands-Indië buiten de lijn lag die linea recta naar Japan leidde, althans wat de Amerikanen betrof. Wel kreeg Stöve, die dit doorgaf aan J. Furstner, dan Minister van Marine in Londen, toestemming om een logistieke en materiële opgave te doen voor een eventuele herbouw van de haven van Soerabaja.

Machteloosheid van Stöve binnen de Combined Chiefs of Staff

De Amerikaanse Marine-staf bedoelde dit in het kader van de oorlogsvoering tegen Japan maar Furstner interpreteerde het voorstel als een mogelijkheid Soerabaja in te richten als basis voor het grootste gedeelte van een nieuwe na-oorlogse vloot.  Stöve gaf dit onrealistische plan dan ook niet door aan de bevoegde autoSchout bij nacht Stoveriteiten maar adviseerde Furstner zich te richten op het Nederlandse aandeel in de strijd tegen Japan. Diens nieuwe plan ten aanzien van de Nederlandse vloot werd uiteindelijk door de Commissie Oorlogsvoering goedgekeurd en door Dijkxhoorn en Stöve bij de Combined Chiefs of Staff ingediend, die het drie dagen later afwezen.

Een voorstel dat wel werd aangenomen was het verzoek dat Dijkxhoorn en Stöve eind augustus 1943 indienden om de Nederlandse Mariniersbrigade in Amerikaanse kampen te doen opleiden. Aldus werden in de periode voor mei 1945 omstreeks 2.500 manschappen vanuit het bevrijde zuidelijk gedeelte van Nederland naar Amerika opgezonden en na dit tijdstip 2.000 personen vanuit Noord-Nederland. Deze brigade vertrok, nadat de opleiding voltooid was, midden 1945 uiteindelijk naar Java. Stöve maakte dit niet meer mee want hij was in zijn functie als vertegenwoordiger bij de Combined Chiefs of Staff inmiddels, op 15 mei 1944, opgevolgd door kapitein-ter-zee L.G. van der Kun.

Latere loopbaan

Stöve werd in januari 1945 toegevoegd aan de Minister van Marine om de vlootuitbreidingsplannen nader uit te werken en in mei van dat jaar, in het inmiddels bevrijde Nederland, aangesteld als commandant van de Zeemacht in Nederland. Hij werd op 1 mei 1946 bevorderd tot vice-admiraal en met ingang van diezelfde datum gepensioneerd.

Stöve was in mei 1950 nog actief als lid van de commissie die de eerste internationale conferentie over de historie van de Tweede Wereldoorlog, gewijd aan de oorlogsvoering in het westen, moest voorbereiden. Hij overleed in 1977 op 88-jarige leeftijd te Den Haag en werd begraven op de Begraafplaats Rhijnhof te Leiden. 

Decoraties

  • Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau
  • Commander in the Legion of Merit
  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
  • Oorlogsherinneringskruis
  • Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier met het cijfer XXXV
  • Mobilisatiekruis 1914-1918
  • Commandeur in de Leopoldsorde

Zie ook


 

[ Terug ]

f t