Afdrukken
Details: Hoofdcategorie: Marine Categorie: Artikelen marinepersoneel | Gepubliceerd: 02 november 2015

 

Ollekebollekerubi 


 Familie

Olke Arnoldus Uhlenbeck (Marandahn, Colombo, 18 maart 1810 - 's-Gravenhage, 26 maart 1888)  was de zoon van Christianus Cornelius Uhlenbeck (1780-1845), kapitein-ter-zee, later burgemeester van Voorburg, en Catharina Elizabeth Andringa (1789-1847).  Zijn broers waren Gerhard Hendrik Uhlenbeck (1815-1888), luitenant-kolonel genie, minister van Koloniën, en Peter Frederik Uhlenbeck (1816-1882), kapitein-luitenant-ter-zee.

Uhlenbeck trouwde twee keer: de eerste maal met Marie Jeane Noldine Lette (1813-1852) en na haar overlijden op 3 november 1854 te Brussel met haar zuster, Antoinette Lette (1825-1909). Hun zoon (eerste huwelijk) was marineofficier en Ridder Militaire Willemsorde Christian Elisa Uhlenbeck (1840-1897).

Vroege loopbaan

Uhlenbeck, geboren in Colombo, vertrok op tienjarige leefdtijd naar Nederland en  begon op 1 september 1826 als cadet aan de Artillerie- en Genieschool te Delft. Hij ging daarna naar het Instituut voor de Marine te MedemOlke Arnoldus Uhlenbeckblik, waar hij op 1 oktober 1829 werd benoemd tot adelborst eerste klasse en bij Koninklijk Besluit van 5 april 1834 nummer 115 werd bevorderd tot luitenant-ter-zee tweede klasse. Hij nam vervolgens deel aan de krijgsverrichtingen tijdens de Belgische Opstand en raakte bij het bestormen van een Belgische schans aan de Schelde gewond.

In augustus 1838 kreeg Uhlenbeck de opdracht van de regering werkmensen op de Rijkswerven op te leiden in het duiken met duikstoestellen; hij deed dit in Amsterdam, Willemsoord, Rotterdam, Hellevoetsluis en Vlissingen. Bij Koninklijk Besluit van 8 oktober 1842 nummer 4 werd hij benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde vierde klasse voor zijn activiteiten tijdens een expeditie aan de kust van Sumatra.

In de zomer van 1844 behoorde Uhlenbeck tot de bemanning van de "Palembang", dat onder commando van kapitein-ter-zee H.H. Th. Coops  naar de haven van Nagasaki voer.  Coops had de opdracht om een brief van Koning Willem II aan de Keizer van Japan te overhandigen en Uhlenbeck hield een persoonlijk verslag van de activiteiten tijdens het verblijf in de wateren van Japan bij, dat nog steeds raadpleegbaar is.

Uhlenbeck werd in 1847 bevorderd tot luitenant-ter-zee eerste klasse en in die rang met ingang van 1 april 1852 benoemd tot onderinspecteur voor het loodswezen, de betonning, bebakening en verlichting te Amsterdam. Bij Koninklijk Besluit van 3 december 1852 werd hij op zijn verzoek met ingang van 1 januari 1853 ontslagen uit deze positie. Zijn naturalisatie tot Nederlander had intussen op 14 maart 1852 plaatsgevonden.

Strijd in de Molukken tegen zeerovers

Uhlenbeck werd eind 1852 als eerste officier geplaatst op Zr. Ms. korvet "Heldin", dat onder commandant W.P.J.L. Stort van Nieuwe Diep naar HModelletje uhlenbeckellevoetsluis voer, en was in juni 1856 als commandant werkzaam op Zr. Ms. "Vesuvius", dat in de Indische wateren voer en deelnam aan de expeditie in de Tomoriebocht. Op 31 maart 1856 verliet de "Vesuvius", met aan boord onder meer de gouverneur der Molukse eilanden,  de rede van Amboina om naar Ternate te varen en aldaar te ankeren.

Na afloop van de werkzaamheden van de gouverneur en na twee Ternataanse prinsen, twee rijksgroten en hun gevolg aan boord te hebben genomen,  werd de 5de april opgestoomUhlenbeck OAtjetjed naar de Baai van Bangaai. Voordat men daar echter de 7de april  binnenliep lukte het de "Vesivius" enige groepen zeerovers onschadelijk te maken.

Vlak bij de kust van het eiland Peling en de straat tussen Peling en Bangaai ontdekte men onder de wal een prauw die Peling trachtte te bereiken. Door een schot af te vuren werd de boot tot stilstand gedwongen. Aan de wal bleek dat zich op het roversvaartuig een groot aantal mensen schuilhield. Onder het roepen van "amok" vielen zij de etat major van de "Vesuvius" met buitgemaakte wapens aan. Omdat deze zich dapper verdedigde vielen er slechts enkele lichtgewonden, waaronder gouverneur Goldman. Nadien bleek dat de prauw deel uitmaakte van de roversvloot van Solok.

De prauw werd uiteindelijk verbrand en een roversvlag en en enige wapens buitgemaakt. De "Vesuvius" zette vervolgens koers naar Bangaai, Sahita en de Tomoriebocht en keerde de 15de april weer te Amboina terug.

Tochten over de Indische wateren

In maart 1857 vertrok Uhlenbeck met de "Staatsraad van Ewijk" naar Nederland, waar hij werd bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee en als commandant geplaatst op Zr. Ms. brik "Sperwer", dat samen met Zr. Ms. korvet "Juno", Zr. Ms. Stoomschip "Sindoro" en Zr. Ms. schoener "Schorpioen", deel uitmaakte van het oorlogseskader dat naar de OllekebollekerubizolekeWest voer en in de haven van Curaçao in juni 1859 een tijd voor anker lag.

Pas in maart 1860 keerde Uhlenbeck met de "Sperwer" naar Hellevoetsluis terug, waar hij aan het Koninklijk Instituut voor de Marine plaatsnam in de examencommissie. Hij werd met ingang van 1 oktober 1861 bevorderd tot kapitein-ter-zee en nam in deze tijd zitting in een commissie tot het doen van een inspectie van het Koninklijk Instituut voor de Marine. In deze jaren gaf hij een brochure uit, getiteld: "Beschouwingen omtrent de drie vraagpunten over de Marine."

Uhlenbeck werd eind 1864 geplaatst op Zr. Ms. fregat met stoomvermogen "Adolf Hertog van Nassau", waarmee hij op 15 oktober van dat jaar van Vlissingen naar de Oost vertrok. Onderweg vond een aanvaring plaats met de Zweedse bark "Gustaaf", maar de averij was  niet dusdanig dat de tocht niet voortgezet kon worden. Vanuit de Indische wateren maakte Uhlenbeck met zijn fregat onder meer tochten naar Rio de Janeiro en keerde in juli 1865 weer naar Nederland terug.

Latere loopbaan

Uhlenbeck bleef echter het commando over het fregat "Adolf Hertog van Nassau" voeren en ondernam hiermee, inmiddels met ingang van 1 juli 1866  bevorderd tot schout-bij-nacht en benoemd tot directeur en commandant der Marine te Willemsoord,  in 1866 reizen naar Smyrna en Lissabon.  Daarnaast was hij, in 1868,  onder meer lid van de commissie,Adolf hertog ingesteld door de Nederlandse Maatschappij van Nijverheid, die het plan van A. Huet, om Amsterdam door een open zeegat aan de Noordzee te verbinden, zou onderzoeken.

Op 1 juli 1869 werd Uhlenbeck benoemd tot vice-admiraal en met ingang van 1 mei 1870 uit zijn functie van directeur en commandant der Marine te Willemsoord ontslagen. Dat was omdat hij was aangesteld als commandant der zeemacht en chef van het Departement der Marine in de Oost, als opvolger van  schout-bij-nacht J. Andreae. Hiertoe voer hij per "VIce-President Prins" naar Batavia, waar hij op 11 januari 1871 aankwam. Bij Koninklijk Besluit van 30 september 1873 nummer 8 werd hij in deze functie opgevolgd door schout-bij-nacht F.L. Geerlings.

Uhlenbeck was intussen benoemd tot adjudant van Z.M. de Koning in Buitengewone Dienst, werd bij Koninklijk Besluit van 27 mei 1874 eervol uit de militaire dienst gepensioneerd en overleed te 's-Gravenhage op 26 maart 1888.

Decoraties

Bibliografie