Umbgrove in uniform

                                                                                             


Vroege loopbaan

Verrichtingen in de internationale wateren

Verrichtingen in de Indische wateren

Krijgsverrichtingen

Hogere rangen en politiek

Diverse commissies

Latere loopbaan

Politieke twisten

Vroege loopbaan

Wilhelm Johannes Gerrit Umbgrove (Zutphen, 17 september 1865 - Hilversum, 28 oktober 1926) was een Nederlands viceadmiraal en onder meer ridder in de Militaire Willems-Orde. Umbgrove werd met ingang van 1 september 1880 benoemd tot adelborst der derde klasse bij het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord, bestemd voor de zeedienst,en bij Koninklijk Besluit van 2 augustus 1884 bevorderd tot adelborst der eerste klasse.

Met ingang van 1 september van datzelfde jaar werd hij aan boord geplaatst van het schroefstoomschip Atjeh; het vertrek van dit schip naar Indië, onder commando van kapitein-ter-zee J.A. Greve, dat bepaald was op 15 november, werd door een gebroken ketting echter uitgesteld tot december. Umbgrove werd met ingang van 26 juni 1885 overgeplaatst in de rol van het opleidingsschip Admiraal van Wassenaer en gedetacheerd aan boord van de instructiebrik Pollux.

Hij werd met ingang van 1 november 1886 bevorderd tot luitenant-ter-zee tweede klasse; hij was toen werkzaam in West-Indië, keerde in december van dat jaar terug naar Nederland en werd aldaar op nonactiviteit gesteld. In maart 1887 werd Z.M. fregat Evertsen te Willemsoord in dienst gesteld en werd Umbgrove hierop geplaatst onder commando van kapitein-luitenant-ter-zee M.A. Medenbach;

Verrichtingen in de internationale wateren

Met ingang van 16 november werd Umbgrove op nonactiviteit geplaatst en in december op het schroefstoomschip Z.M. Van Galen geplaatst, dat onder commando stondUmbgrove iop van kapitein-ter-zee J. Loots, te Nieuwediep in dienst gesteld was en bestemd was om naar Oost-Indië te varen.

In Indië werd hij overgeplaatst op de Gedeh, op de rol geplaatst van het wachtschip te Tandjong Priok en vervolgens in september 1889 op Z.M. Blommendal geplaatst. In november 1890 kreeg hij wegens ziekte een maand verlof naar Sindanglaja wegens ziekte  en werd hij overgeplaatst van Z.M. Blommendal op de rol van Z.M. korvet Gedeh.

In mei 1890 keerde hij terug uit Indië, trouwde hij met E. Laan en in november van dat jaar verving hij luitenant-ter-zee tweede klasse J.J. Rambonnet als bevelvoerder over H.M. Artillerie-instructieschip Aruba.

Met ingang van 16 januari 1892 werd hij op nonactiviteit gesteld.  In deze tijd was hij actief als redacteur van het Marineblad, dat in Den Helder werd gepubliceerd en vroeg en verkreeg hij een jaar verlof voor de duur van een jaar, onder stilstand van nonactiviteitstractement en zonder opklimming in de ranglijst.

Verrichtingen in de Indische wateren

Met ingang van 1 november 1893 werd Umbgrove gedetacheerd in de directie van de Marine te Willemsoord, In 1894 werd hij toegevoegd aan het hoofd van het vak van uitrusting bij de Rijkswerf te Willemsoord en in september 1895 op nonactiviteit geplaatst. In januari 1896 werd Umbgrove geplaatst op het dan nieuw gebouwde flotillevaartuig Nias, dat op de 21ste januari in dienst was gesteld door luitenant-ter-zee eerste klasse jhr. J.A.G. van der Staal, adjudant van Hr. Ms. de Koningin.

Hij werd in november van dat jaar overgeplaatst op H.M. Atjeh, op folio van luitenant-ter-zee eerste klasse maar deze overplaatsing, niet de bevordering, werd later ingetrokken en Umbgrove werd in plaats daarvan op H.M. Gedeh geplaatst in januari 1897.Niet veel later werd hij benoemd tot equipagemeester bij het Marine-etablissement te Soerabaja, een functie die hij bekleedde tot december 1898, toen hij werd opgevolgd door luitenant-ter-zee eerste klasse jhr. Wichers.

Hij werd hierna geplaatst op het fregat Atjeh, in maart 1899 overgeplaatst op het schroefstoomschip De Ruyter en per 1 augustus 1899 toegevoegd aan de inspecteur der artillerie van de Marine.

Krijgsverrichtingen

Bij Koninklijk Besluit van 17 oktober 1900 werd H.M. pantserdekschip Zeeland met ingang van 20 oktober in dienst gesteld met als bestemming de buitenlandse zeedienst. Het bevel van het schip werd opgedragen aan kapitein-ter-zee P.A.R. Hennequin en ook Umbgrove werd op deUmbgrove WJG. Schout bij Nacht chef van de marinestafze bodem geplaatst.

In mei 1905 werd hij overgeplaatst op H.M. Assahan, waar hij tevens tijdelijk het bevel over kreeg. De Assahan was maar een klein schip van de Indische militaire marine, dat tien kanonnen voerde en terwijl het onder commando van Umbgrove voer, werd ingezet tijdens de expeditie naar Boni in 1905.

Tijdens de expeditie viel de vijand de Nederlandse vestiging te Pare-Pare aan maar deze aanval werd door de infanterietroepen afgeslagen. Aroe Serang, de tweede broer van de vorst van Sidering, wilde de Nederlandse bezetting met een macht van ongeveer 2.000 gewapende mannen verdrijven maar de aanval werd door de Nederlandse troepen verijdeld. 

Ter gelegenheid van de verjaardag van de koningin werd Umbgrove in 1905 benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau,overgeplaatst op H.M. Serdang en vervolgens, in juni 1906, op H.M. Hertog Hendrik.In 1906 vond een expeditie naar Bali plaats, onder het oppercommando van generaal-majoor M.B. Rost van Tonningen; chef van de generale staf was majoor C.H. van Rietschoten en Umbgrove maakte deel uit van de staf van de opperbevelhebber.

Hij werd bij Koninklijk Besluit van 28 maart 1907 nummer 96 benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde, dat was nog voor zijn verrichtingen tijdens de expeditie naar Celebes in 1905.

Hogere rangen en politiek

In januari 1907 werd Umbgrove ontheven van zijn bevel over H.M. Hertog Hendrik  en met ingang van 1 oktober van dat jaar bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee.Hij werd vervolgens, in januari 1908, geplaatst op het pantserschip H.M. De Ruyter, dat onder commando voer van kapitein-ter-zee P.C. Zwaan  en bij Koninklijk Besluit van 13 april 1908 benoemd tot lid van de commissie van aanneming voor adelborst tweede klasse, derde afdeling, bij het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord.

In november 1910 werd hij tijdelijk belast met de functie van chef van de Marinestaf en van de afdeling Defensie aan het Department van Marine en bij Koninklijk Besluit van 2 december 1910 benoemd tot lid van de staatscommissie inzake het instellen van een onderzoek omtrent de wenselijkheid van het nemen van maatregelen om op den duur een geregelde toegang tot Nederland door het Noordzeekanaal te verzekeren, mede rekening houdend met de in de toekomst te verwachten grotere schepen.

Met ingang van 9 december 1911 werd Umbgrove bevorderd tot kapitein-ter-zee.In deze tijd werden er in de kranten diverse aanvallen op hem gedaan inzake het pantserschip-wetsontwerp en schreef hij ter verdeding een brochure, genaamd Het pantserschip. Een verweer door W.J.G. Umbgrove, kapitein-ter-zee.

De minister verklaarde dat, anders dan uit deze brochure zou blijken, de deskundige marine-autoriteit in de adviescommissie voor het dok te Soerabaja de oorlogsvloot in Oost-Indië tot nog toe over minstens tien jaar dacht samengesteld uit schepen van hoogstens 10.000 ton waterverplaatsing. Umbgrove antwoordde daarop dat volgens zijn mening het dok geschikt diende te zijn voor oorlogsschepen van omstreeks 15.000 ton.

Diverse commissies

Datzelfde jaar, in 1912, benoemde de Minister van Oorlog, ad interim Marine, een commissie om verschillende vraagstukken van Marinebeleid in studie te nemen en de minister daaromtrent van advies te voorzien. Leden van die commissie waren, naast Umbgrove, onder meer viceadmiraal Fr.C.E.L. Koster, schout-bij-nacht G.P. Hecking Colenbrander en de gepensioneerde schout-bij-nacht titulair W.A. Mouton. 

Umbgrove werd met ingang van 6 december van dat jaar op nonactiviteit gesteld en werd vervolgens bestemd om kapitein-ter-zee F. Bauduin te vervangen bij het eskader in de Indische wateren.Hij werd aldaar geplaatst op H.M. Tromp. Hij speelde toen, als commandant van de Tromp, een delicate rol tijdens de eerste oorlogsmaanden van 1914. Zijn beleidvolle optreden in die dagen bezorgde hem het vertrouwen van zijn chef, viceadmiraal Pinke, die bekend stond als niet gemakkelijk.

Umbgrove vond de Duitse schepen Ulm en Linden in één van de baaien, bracht hen op en richtte vervolgens zijn wapens op de Kruiser Emden, dat in de Nederlandse territoriale wateren ten zuiden van Celebes lag. Na enig diplomatiek onderhandelen vertrok de Emden uiteindelijk naar eigen terrein.

Latere loopbaan

Toen chef van de staf van de zeemacht, kapitein-luitenant-ter-zee P.C. Coops, als eerste officier van H.M. Noord-Brabant, naar Indië vertrok volgde Umbgrove hem in die functie, in februari 1916, op.Hij werd hierna achtereenvolgens, in september 1916, benoemd tot chef van de Marinestaf en van de afdeling Defensie. In september 1918 benoemde de minister van Oorlog, ter bestudering van de eisen die de defensie zou stellen in verband met de afsluiting en de gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee een commissie, met als voorzitter luitenant-generaal W.F. Pop en met als leden onder meer Umbgrove en kapitein-luitenant-ter-zee J. Tissot van Patot.

In september 1918 werd Umbgrove bevorderd tot schout-bij-nacht en bij Koninklijk Besluit van 21 februari 1920 benoemd tot Indische vlootvoogd, commandant van de Indische zeemacht, tevens hoofd van het Departement van Marine, als opvolger van viceadmiraal J.A.M. Bron. Met ingang van 6 oktober werd hij bevorderd tot viceadmiraal.

In Indië nam hij in november 1920, samen met onder meer generaal H.N.A. Swart, erevoorzitter, zitting in het bestuur van de Nederlands-Indische Sterrenkundige Vereniging, die zich ten doel stelde een grote sterrenwacht op te richten nabij Bandoeng; professor H.G. van de Sande Bakhuyzen schonk de vereniging zijn kostbare astronomische bibliotheek. Bij zijn aantreden als commandant zei Umbgrove in een dagorder onder meer: Het is u allen bekend dat de Marine in een hoogst droeve toestand verkeert. Het kan op deze voet niet doorgaan. Het gebrek aan officieren is reeds zo buitengewoon nijpend dat maatregelen die worden beraamd om tot betere toestanden te komen niet uitgevoerd konden worden! De reden waarom ik u dit droevige beeld voorhoud is dat ik de overtuiging heb dat wij op het laagste punt zijn aangekomen mits gij, als het levende deel der zeemacht, op uw post blijft en verdere afbrokkeling voorkomt.

Politieke twisten

Umbgrove maakte in oktober 1921 deel uit van de Indische commissie ter huldiging van generaal J.B. van Heutsz, dat onder voorzitterschap stond van generaal Swart en als verdere leden onder meer generaal G.K. Dijkstra had.In november 1922 maakte hij een dienstreis naar Soerabaja, waar hij een inspectie hield en besprekingen voerdeen trad het jaar daarop als vlootvoogd af.

Er waren ernstige moeilijkheden gerezen over de eventuele uitvoering van de vlootwet tussen gouverneur-generaal D. Fock en de minister van Koloniën in Den Haag, S. de Graaff. Umbgrove trad af omdat van Fock geen medewerking tot het uitvoeren van de vlootplannen te verwachten was. De gouverneur-generaal gaf te kennen: dat hij in deze benarde tijden niet wenste mee te werken aan het vestigen van de vlootbasis. De minister van Koloniën deelde deze zienswijze niet, waarop A.F. Gooszen, een bekend voorstander van de vlootplannen, werd benoemd tot commandant van de vloot in Indië.

Het afscheidsdiner vond in juni van dat jaar plaats in Hotel des Indes.Umbgrove vestigde zich te Hilversum, waar hij onder meer actief was als secretaris bij de Spaarbank.Hij overleed plotseling op 61-jarige leeftijd te Hilversum in 1926 en werd begraven te Almen. Umbgrove was ridder in de Militaire Willems-Orde, ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Officier in de Orde van Oranje-Nassau en commandeur in het Legioen van Eer en bezat het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gespen Atjeh, Zuid-Celebes en de Kleine Soenda-eilanden.


[ Terug ]

 

 

f t