• Vestingartillerie

  • Zr.Ms Celebes in gevecht met een Kota Mara (1859)

  • Zr Ms Karel Doorman en Zr Ms Willem vd Zaan

  • Neptunusdiploma

  • Citadel van Antwerpen

  • Lanciers de la Garde Imperiale (Hollanders)

 

Generaal GM Verspijck


Zie ook het fotoalbum


 Inleiding

Gustave Marie Verspyck (Gent, 19 februari 1822 – Den Haag, 7 mei 1909) was een Nederlandse luitenant-generaal titulair, onder meer commandeur in de Militaire Willems-Orde en drager van het Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau.

Militaire loopbaan

Verspyck werd in 1842, na zijn militaire opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda, als tweede luitenant geplaatst bij het vijfde regiment infanterie. In 1846 vertrok Verspycl2 18572hij met de Amboina vanuit Hellevoetsluis naar Nederlands-Indië om aldaar dienst te gaan doen bij de infanterie en werd in 1852 benoemd tot kapitein. In 1854 nam hij deel aan de expeditie naar Montrado en in 1859 werd Verspyck, dan majoor bij keuze, als opperbevelhebber naar Bandjermasin gezonden, om daar kolonel Andresen te vervangen, die - in de ogen van het gouvernement - niet aan de verwachtigen had voldaan.

Hij werd per dagorder van 25 mei 1861 voor zijn werk te Banjermasin benoemd tot officier in de Militaire Willems-Orde en bij Koninklijk Besluit van 21 januari 1862 buitengewoon bevorderd tot luitenant-kolonel. In 1865 werd hij benoemd tot kolonel en was hij, tot 1869, chef van de staf Oorkonde Verspijckvan het Indische leger. In 1870 werd Verspyck tot generaal-majoor benoemd en aangesteld als hoofd van het tijdelijk opgericht bureau voor de krijgsuitrustingen. Na afloop van de tweede expeditie naar Atjeh vroeg en verkreeg hij eervol ontslag.

Verspyck was onder meer Commandeur in de Militaire Willems-Orde, Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Drager van het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met drie gespen, Grootkruis in de Orde van de Eikenkroon (1880), Grootkruis in de Leopoldsorde van België, Grootkruis in de Orde van de Rode Adelaar (1880), Grootkruis in de Pruisische Kroonorde (1881), Grootofficier in de Orde van de Gouden Leeuw van Nassau (1877) en Grootofficier van het Huis des Konings (1878).

Generaal-majoor Verspyck had, zo schreef De Nieuwe Gids in 1887, op Borneo gedurende verscheidene expeditie-jaren, in de Wester-afdeling en in de Zuider- en Ooster-afdeling, uitstekende militaire bekwaamheden getoond. Steeds energiek optredende, had hij ook steeds de hem toevertrouwde krijgsmacht tot de meest gewetensvolle plichtsvervulling weten op te wekken. Officieren en soldaten stelden in zijn beleid een onbeperkt vertrouwen. Maar Verspyck meende dat men eerst met zijn vijand kon praten, wanneer deze onder lag.

Expedities van Verspyck

Expeditie tegen Montrado

De bevolking aan de westkust van Borneo had, in 1854, veel last van de Taij-Kong Chinezen, die de bevolking plunderden en vrouwen en kinderen roofden. Uiteindelijk kwamen de Chinezen ook in 800px-De overvalling der Sam-tjam-foeiopstand tegen het Nederlandse gouvernement, dat, tijdelijk afgeleid door de Java-oorlog, zich weinig met de interne staatkunde bezig hield; het gevreesde verbond van de Chinese republieken nam in de loop der volgende jaren steeds in macht toe en moest verbroken worden.

Fort Sorg werd opgericht maar de Tjai-Kong kongsi of republiek versterkte zich te Montrado; een macht van 1.700 bajonetten ontscheepte, onder leiding van luitenant-kolonel Andresen en maakte de mars naar Singkawang. Gedurende die veldtocht kreeg Verspyck bevel de vijand, die zich in de bergen, op een half uur van Montrado, had verschanst, aan te vallen.

De manschappen moesten zich door een moerassige vlakte de weg banen, terwijl uit het bos op de heuvels de kogels hen om de oren vlogen. Nadat Verspyck alle maatregelen genomen had, Generaal Verspijck 2gelastte hij de hoornblazers de stormmars te blazen. De Chinezen konden niet missen, zo dicht stonden de Hollanders bij hun tjonto's, lilla's en geweren. Verspyck stond op de borstwering en naast hem viel luitenant Chambry, door drie kogels dodelijk getroffen.

Sergeant de Haan en vier soldaten waren gevolgd en werden verminkt, toen zij tegen het vuur instormden. De Chinezen, die zich veilig waanden, in een onneembare positie, werden met het geweer overweldigd en verdreven en de Nederlandse vlag werd op de versterking geplant. Kort daarop werd Verspyck aangewezen als assistent-resident.

 Drievingerenverbond

Niet lang daarna moest hij het opnemen tegen een geheim verbond, de Chinese vereniging der Sam-Tjam-foei (Drie Vingeren Verbond), dat in het geheim werkte; het was een schrikbewind, dat de bevolking door schrik en doodsangst in zijn macht wilde krijgen en de dertig Chinezen aan het hoofd waren moordenaars; moord, diefstal en brand waren aan de orde van de dag maar eindelijk gelukte het Verspyck om in het centrum van het doolhof van veraad te komen.

Hij ondernam een tocht met dertig bajonetten door het woud naar het roversnest, overviel het, velde de voornaamste hoofden en maakte zich meester van de tjap, het zegel, dat steeds gehoorzaamd moest worden, van de statuten, van het register en van de leden. Hierna kon Verspyck zich bezig gaan houden met zijn beleid: wegen traceren, gezondheidsmaatregelen verordonneren en het planten van rijst en thee. Na twee jaar heerste er orde en welvaart te Montrado.

Expeditie naar de Zuider en Oosterafdeling van Borneo

In 1859 werd Verspyck, als jong majoor bij keuze, naar het Bandjerse rijk op Borneo gezonden om kolonel Andresen te vervangen en de leiding der expeditie op zich te nemen. Omdat het Nederlandse gouvernement de rechten van de troonopvolger Hidayat miskend had, was het sultansrijk in volle opstand en werden talloze Nederlanders wreed vermoord.Gustave

Een van de dapperste tochten van de velen die Verspyck in deze oorlog ondernam, was de mars van Mantallat naar de Teweh, een landschap meer dan honderd uren van de hoofdplaats verwijderd, diep in het binnenland; dit was het woonoord van Antassari, die Z.M. stoomschip De Onrust verradelijk afliep en de gehele bemanning uitmoordde.

Het was een tocht van 20 dagen door een oerwoud, waarin voet voor voet de weg moest worden gekapt en de colonne ieder ogenblik aan een overval blootstond; die tocht gaf de bevolking de overtuiging, dat geen oord voor de Nederlandse soldaten onbereikbaar was en dat verdere tegenstand nutteloos was.

Bij dagorder werd Verspyck voor zijn werk alhier beloond met de Militaire Willems-Orde derde klasse en werd hij bij Koninklijk Besluit van 21 januari 1862 buitengewoon bevorderd tot luitenant-kolonel voor zijn verrichtingen in de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo. Hij werd in 1863 als commandant van de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo opgevolgd door kolonel Happé.

Tweede expeditie naar Atjeh

Na het mislukken van de eerste expeditie naar Atjeh werd Verspyck door gouverneur-generaal Loudon (op 17 april 1873) benoemd tot opperbevelhebber over de land- en zeemacht van de vervolg-expeditie naar Atjeh en ontving order om met de eerste scheepsgelegenheid zich naar het terrein van de oorlog te begeven met twee bataljons infanterie en enige artillerie. Verspyck op Atjeh

Maar Loudon besloot in een vergadering van 20 april 1873 dat er eerst bevel moest worden gegeven aan gouvernementscommissaris Nieuwenhuijsen om met de troepen der eerste expeditie terug te keren naar Batavia en aldus werd het uitzenden van troepen, onder leiding van Verspyck, vooreerst gestaakt.

Er was reeds bepaald dat in de aanstaande, gunstige, moesson een tweede expeditie zou worden gezonden; op 8 mei werd door de legercommandant opgegeven dat die expeditie 7.000 man infanterie (naast de nodige artillerie, cavalerie en hulptroepen) sterk moest zijn, een commando aldus voor een generaal-officier. Behalve de commandant van het leger was de enige andere generaal Verspyck.

Dit, in verband met de omstandigheid dat Verspyck feitelijk al was aangewezen om het bevel over de eerste expeditie over te nemen, al 13 jaar eerder op Borneo het commando over een land- en zeemacht van 4.000 man had gevoerd; daarnaast met het gegeven dat Loudon de 11de mei met Verspyck als ware hij de opperbevelhebber der tweede expeditie de door Verspyck te voeren tactiek doorsprak, deed vermoeden dat Verspyck de opperbevelhebber van de volgende expeditie zou zijn.334

Hij werd nu, 3 juni 1873, als chef van het bureau krijgsuitrustingen aangesteld. Maar plotseling, op 14 juni, vernam hij van de nieuwe legercommandant, Whitton, dat op voorstel van gouverneur-generaal Loudon aan het opperbevel in Nederland, de gepensioneerde generaal van Swieten was aangesteld als opperbevelhebber en regeringscommissaris van de volgende expeditie.

Er was geen enkele reden geweest om die samengestelde functie niet aan Verspyck toe te vertrouwen; hij was immers van 1860 tot 1863 regeringscommissaris voor de zaken in de Zuidelijke- en Oostelijke afdeling van Borneo geweest. Verspyck bood hierop zijn ontslag aan. Het verzoek om generaal van Swieten tot opperbevelhebber van het leger te benoemen was duidelijk een gebrek aan vertrouwen jegens hem. Daarnaast vond Verspyck dat hij als generaal-officier verplichtingen tegenover het leger had en niet kon en mocht toelaten dat zijn officiële karakter niet geacht werd. Ontslagname was in zijn positie in die omstandigheden voor hem een zedelijke plicht.

Generaal GM Verspijck voor Lemboe3Minister van Koloniën, Fransen van de Putte, zond Verspyck een telegram, waarin vermeld stond dat wij (Fransen van der Putte en Van Swieten) erop vertrouwen dat het belang van het land en gewichtige omstandigheden zouden gelden boven elke andere overweging. Verspyck verklaarde dat iedere tweede luitenant begrijpt dat de gouverneur-generaal door mij, die bijna vier jaar de generaalsrang bekleedde, die in het leger geen generaal-officier boven of naast hem had, dan de legercommandant, die men zulk een bevel moet kunnen toevertrouwen (anders diende ik geen generaal te zijn) door de ontneming van het commando een diepe en onverdiende krenking had aangedaan.

Een ieder van het leger zou die krenking gevoeld en begrepen hebben, terwijl het Verspyck onmogelijk was zich te verdedigen middels verklaringen. Dit maakte dat hij een schijn op zich zou laten, die hij feitelijk te vermijden had. Indien men als aanvoerder zijn plicht wilde kunnen doen, dan diende men in de eerste plaats het vertrouwen en de achting van zijn ondergeschikten te genieten, maar dit was nu juist onverenigbaar met het denkbeeld dat de chef, in casu Verspyck, zich van wie of waar dan ook, een krenking en een vernedering had laten welvallen.

Omdat de minister in zijn telegram zinspeelde op de oorlogstoestand stelde Verspyck voor, alhoewel hij bovenstaande consideraties niet losliet, om de tweede expeditie nog mee te maken en daarna alsnog ontslag te krijgen uit de militaire dienst, hetgeen gebeurde.

Terug in Nederland

Hoewel er een groot verschil van gevoelen bestond over de wijze van opereren tussen de generaals Van Swieten en Verspyck tijdens de tweede expeditie, bleef Verspyck gehoorzamen aan krijgstucht en ondergeschiktheid. VerspyckKoning Willem III benoemde hem tot zijn adjudant-generaal met de rang van grootofficier, schonk hem het commandeurskruis van de Militaire Willems-Orde, verhief hem in de adelstand en schonk hem zijn vertrouwen en vriendschap.

Gedurende de papieren-oorlog werd Verspyck hevig aangevallen door Van Swieten, omdat deze meende dat kapitein G.F.W. Borel zijn boek Onze vestiging in Atjeh uit naam van Verspyck had geschreven, wat Borel ten stelligste ontkende. Daar in dit boek de leiding van Van Swieten tijdens de tweede expeditie zeer kritisch tegen het licht werd gehouden (te afwachtend, onjuiste toepassing van humanitaire beginselen) ageerde van Swieten fel tegen Verspyck (die hij van ondoordachte en avontuurlijke oorlogsvoering beschuldigde).

Verspyck publiceerde twee geschriften om zich te verdedigen, namelijk Loudon en Atsjin. Een woord van protest van generaal Verspyck (1875) en Generaal van Swieten en de waarheid (1880). Na zijn pensionering werd Verspyck benoemd tot Kanselier van de Nederlandse Ridderorden, vestigde zich te Den Haag, overleed in 1909 en werd begraven op de Algemene begraafplaats te Den Haag.


Bronvermelding

  • 1875. G.M. Verspyck Loudon en Atsjin. Een woord van protest van generaal Verspyck. Overdruk uit Het Vaderland. D.A. Thieme. Den Haag.
  • 1878 G.F.W. Borel. Onze vestiging in Atjeh. Critisch beschreven. D.A. Thieme
  • 1879 J. van Swieten De waarheid over onze vestiging in Atjeh. Noman en Zoon.
  • 1880 J. van Swieten. De luitenant generaal J. van Swieten versus de luitenant generaal G.M. Verspyck. Johan Noman en Zoon. Zaltbommel
  • 1880. G.M. Verspyck. Generaal van Swieten en de waarheid. Henri J. Stemberg
  • 1902. A.S.H. Booms. Nederlands krijgsroem in insulinde. W.P. van Stockum en Zoon. Den Haag.
  • 2009. Onze vestiging in Atjeh, drogredenen zijn geen waarheid. Uitgeverij Eburon. Delft. ISBN 978-90-5972-239-2. Heruitgave van 1878. Onze vestiging in Atjeh, critisch beschreven D.A. Thieme, Den Haag en 1880. Drogredenen zijn geen waarheid. Henri J. Stemberg, Den Haag.

 

[ Terug
f t