• Vestingartillerie

  • Zr.Ms Celebes in gevecht met een Kota Mara (1859)

  • Zr Ms Karel Doorman en Zr Ms Willem vd Zaan

  • Neptunusdiploma

  • Citadel van Antwerpen

  • Lanciers de la Garde Imperiale (Hollanders)

Dijkstra G.k


Het fotoalbum kunt u hier inzien. Foto's copyright Frederique Gentis


Inleiding

Dijkstra (Pontianak, 2 juni 1867 - 's-Gravenhage, 29 juni 1946) volgde de Koninklijke Militaire Academie en werd bij Koninklijk Besluit van 25 juli 1887 benoemd tot tweede luitenant der infanterie van het leger in Indië. Hij vertrok op 21 januari 1888 met het stoomschip Conrad naar Nederlands-Indië, waar hij werd ingedeeld bij het dertiende bataljon te Soerabaja. Hij werd in november 1890 overgeplaatst naar Atjeh, in 1891 geplaatst bij het garnizoensbataljon van Atjeh en Onderhorigheden en datzelfde jaar overgeplaatst bij het derde bataljon.

In juni 1892 werd Dijkstra bevorderd tot eerste luitenant. In een algemene order voor het leger bracht de minister van Oorlog ter kennis van de landmacht dat, ter beloning voor de manier, waarop hij zich in 1892 te Atjeh had onderscheiden, bij Koninklijk Besluit van 1 november 1892 was bepaald dat Dijkstra bij afzonderlijke dagorders, zowel in Nederland als in Indië, Eervol Vermeld werd.

Diverse strijdhandelingen

Op 13 juni 1892 rukte Dijkstra als commandant met 20 bajonetten van Lampermé uit, om een hinderlaag te leggen nabij het blokhuis Kroeng Linkar, op korte afstand van de spoordijk. Om ongeveer halfTjot Iri tien meende hij iets op de dijk te zien; bijna op hetzelfde moment kreeg men een hevig vuur van achter de spoordijk vandaan. Er werd teruggevuurd en het bevel aanvallen! gegeven. Gevolgd door zijn soldaten vloog Dijkstra er op af. De vijand wachtte deze aanval niet af maar sloeg op de vlucht, achtervolgd door de Nederlandse troepen. Vervolgens keerde Dijkstra terug om zijn gewonden, een Europese fourier (zwaar), een Europese korporaal en een inlandse fuselier te helpen en ontdekte bij het licht van de maan een te voorschijn springende Atjehnees, die direct door een geweerschot getroffen werd.

Er arriveerde nu een patrouille van Tjot Iri onder de postencommandant, eerste luitenant Kessler, om te helpen. Dijkstra zag nu een groot aantal vijanden in de alang-alang en stormde aan het hoofd van zijn troep daarop los, waarbij hij een paar lichte verwondingen verkreeg. Bij deze gelegenheid maakte hij twee achterlaadgeweren met patronen, een voorlaadgeweer, drie donderbussen met munitie en vele blanke wapens buit, die door het detachement van Tjot Iri werden meegenomen omdat Dijkstra zijn handen vol had aan de gewonden.

Korps Marechaussee

Na het sneuvelen van luitenant J.W.C. Vuyk nam Dijkstra diens plaats bij het Korps Marechaussee te voet in. Hij werd tijdens het gevecht van 29 juni 1896, de verovering van Anak Galoeng, gelijktijdig met Hulde aan de gesneuveldenkapitein G.J.W.C.H. Graafland en de eerste luitenants C.F.A. Wagener en K.J.C. Rijnen gewond door een klewanghouw in de borst. Tijdens dit gevecht sneuvelden zes marechaussees en werden 23 gewond. Dijkstra verkreeg in november 1896 een tweejarig verlof naar Nederland wegens ziekte.

Bij Koninklijk Besluit van 24 mei 1897 nummer 59 werd hij benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde vierde klasse voor zijn verrichtingen te Atjeh in 1896. Ter gelegenheid van de parade te Den Haag wegens de verjaardag van de prinses van Wied reikte generaal Doorman voor het front van de troep de Militaire Willems-Orde plechtig uit aan kapitein J.H. Reurts (Lam Goet en Tjot Rang), Dijkstra (Lamsoet, Senelop, Abon Tarik, Anak Galoeng), tweede luitenant W.A. Engelbrecht (Lam Goet, Tjot Rang, Lam Krak), officier van gezondheid E. Pazoux Kuehr (Lamsoet, Senelop) en aan de gegageerde fuselier A.F. Ramakers (Lam Koenjit). De generaal hechtte zelf de decoraties op de borst der ridders en hield een opwekkende toespraak tot de troep.

Verschillende functies

In augustus 1898 werd het verlof van Dijkstra met twee maanden verlengd en droeg hij, tijdens de inauguratie van de Koningin, het Rijkszwaard. Dit werd ontbloot gedragen door de gepensioneerde luitenant-generaal Van der Heijden, adjudant van de Koningin in buitengewone dDijkstra en manschappenienst, begeleid door twee officieren, kapitein der genie van het Oost-Indische leger N. Plantenga en eerste luitenant Dijkstra. Dijkstra was tijdens zijn verlof in Nederland gedetacheerd bij de koloniale reserve maar werd hiervan op zijn verzoek ontheven op 16 september 1899. Hij keerde op 25 november van dat jaar per Prins Hendrik terug naar Indië, waar hij werd geplaatst bij het negende bataljon.

Hij werd bevorderd tot kapitein en overgeplaatst bij het tweede bataljon in Palembang in november 1901. Hier vandaan werd hij geëvacueerd (per Swaerdecroon) naar Batavia en geplaatst bij het achttiende bataljon in mei 1902. In maart 1903 werd Dijkstra aangesteld als instructeur bij het legioen van Mangkoe Negara te Soerakarta in de Vorstenlanden te Java. Hij werd in mei 1905 onder nadere goedkeuring van gouverneur-generaal Van Heutsz tijdelijk belast met de waarneming van het civiele bestuur in het district Midden-Doesoen (met de onderdisctricten Montallat en Kwala Benangin) met de bepaling dat hij de voorgeschreven functie zou uitvoeren onder de titel van civiel gezaghebber van Midden-Doesoen (Zuider- en Oosterafdeling van Borneo).

Celebes en Java

Van genoemde functie werd Dijkstra in oktober 1906 eervol ontheven en overgeplaatst naar de troepenmacht te Celebes, Menado en Timor. In 1908 werd hij eerst overgeplaatst bij het veertiende bataljon te Atjeh (korpsgedeelte Sigli) en in juni benoemd tot civiel gezaghebber te Pidië (Afdeling Noord-kust van Atjeh), later tijdelijk uitgebreid met de waarneming van het bestuur over de Afdeling Noord-kust van Atjeh. Van deze post werd hij in juni 1909 ontheven, datzelfde jaar bevorderd tot majoor (maart) en in 1910 met een jaar verlof wegens langdurige dienst gezonden. Hij vertrok naar Europa met de Vondel; zijn verlof werd later met een half jaar verlengd en in Nederland werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel (januari 1912).

Op 18 januari 1912 keerde hij met hetzelfde schip terug naar Indië, alwaar hij op nonactiviteit werd gesteld. Hij verkreeg in maart 1914 de waarneming van het commando over de tweede brigade te Java (van generaal-majoor K. van der Maaten), die in juni van hem overgenomen werd door generaal-majoor C.H. van Rietschoten. Dijkstra werd vervolgens benoemd tot militair commandant van de Westerafdeling van Borneo. In februari 1916 werd Dijkstra bevorderd tot kolonel, in maart van dat jaar eervol van zijn functie als commandant van de Westerafdeling van Borneo ontheven en benoemd tot generaal-majoor, inspecteur der infanterie in 1918. Dat jaar maakte hij ook deel uit van een comité tot oprichting van een monument voor de verongelukte vliegenier J.E. van Bevervoorde.

Commandant van het KNIL

Dijkstra werd bij Koninklijk Besluit van 6 augustus 1920, met ingangsdatum 2 augustus, benoemd tot luitenant-generaal, hoofd van het Department van Oorlog en commandant van het Indische leger. Hij vervulde deze functie tot 2 augustus 1922 (Koninklijk Besluit van 15 mei 1922 nummer 80), toen hij eervol ontslag kreeg: bij besluit van 15 mei 1922 is luitenant-generaal G.K. Dijkstra, commandant van het leger en hoofd van het Department van Oorlog, op verzoek, met ingang van 2 september 1922 eervol uit 's landsG k  dijkstra met echtgenote en oudste dochter dienst ontslagen, onder dankbetuiging voor de vele en belangrijke diensten door hem aan den lande bewezen.

Dijkstra vertrok naar Nederland op 6 september 1922 met de Johan de Witte en werd in Nederland benoemd tot adjudant van de Koningin. Het Indische dagblad De Locomotief had in 1922 een interview met Dijkstra en schreef: Nog nooit hadden wij in het kabinet, waar wij reeds meerdere legerchefs mochten ontmoeten, zo'n gemoedelijk onderhoud. Dit kreeg een bijzonder stempel door de eenvoudige en oprechte soldatennatuur van generaal Dijkstra. In die weinige ogenblikken voelden wij diep, dat het leger straks een ernstig verlies lijdt, als deze bevelhebber het verlaat. Hij werd opgevolgd door generaal Kroesen.

Decoraties

Dijkstra was ridder in de Militaire Willems-Orde, ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, officier in de Orde van Oranje-Nassau, drager van het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gespen Atjeh 1887-1896, 1896-1900, Djambi 1901-1904, Zuid-Celebes 1905-1908 en Atjeh 1906-1910 en van het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier met het cijfer XXXV.

Toen Dijkstra zijn 70ste verjaardag vierde, ontving hij onder meer van vice-president van de Raad van Nederlands-Indië H.N.A. Swart een bloemstuk en verkreeg hij gelukwensen van de beide bonden van ridders in de Militaire Willems-Orde en van het oude marechausseecorps in Atjeh.


Bronvermelding

  • 1892. Het Nieuws van de Dag (01-12-1892)
  • 1893. Algemeen Handelsblad (23-03-1893)
  • 1896. Rotterdams Nieuwsblad (03-07-1896)
  • 1897. Het Nieuws van de Dag (07-07-1897)
  • 1898. Het Nieuws van de Dag (07-09-1898)
  • 1905. Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië (23-05-1905)
  • 1910. Prins der Geïllustreerde Bladen. Bladzijde 205
  • 1918. Sumatra Post (13-11-1918)
  • 1922. Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië (01-06-1922)
  • 1922. Het Vaderland (07-06-1922)
  • 1937. Het Vaderland (02-06-1937)
  • 1938. Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld, Nederlanders en hun werk (v. Holkema & Warendorf)
  • 1940. G.C.E. Köffler. De Militaire Willemsorde 1815-1940. Algemene Landsdrukkerij. Den Haag

 

[ Terug ]

 

f t